Jules Schelvis 1921-2016

Strijder tegen het vergeten

Door Wim Boevink

Hij overleefde Sobibor, het vernietigingskamp waarvan de SS alle sporen had willen uitwissen. Dankzij zijn onderzoek, en zijn charisma, wist Jules Schelvis dat voor altijd te voorkomen.

Twee oorlogen voerde hij, denk ik. De een was een gevecht om het naakte overleven, de ander tegen het vergeten. De eerste eindigde in een kamp bij Vaihingen, Zuid-Duitsland, in 1945. De tweede eindigde eergisteren in een ziekenhuis in Amsterdam. Jules Schelvis bereikte de gezegende leeftijd van 95 jaar.

In de laatste jaren kruiste hij een aantal keren mijn pad. En nooit, werkelijk nooit, lieten de ontmoetingen me onberoerd. Er was zoveel charisma om hem, van een heel stille soort.

De eerste keer dat ik hem zag moet in München geweest zijn in 2009. Ik versloeg er het proces tegen kampbewaker Ivan Demjanjuk. Jules Schelvis – ik mocht Jules zeggen – was er een van de medeaanklagers en getuigen. Maar Jules was meer dan alleen maar een getuige. Hij was een getuige-deskundige. Op zijn naam stond een standaardwerk: de geschiedenis van een uitgewist vernietigingskamp, dat Sobibor heette. Hij schreef het na zijn pensionering. Toen was die oorlog tegen het vergeten begonnen. Er was over Sobibor, een van de vier vernietigingskampen in het zuidoosten van Polen, weinig geboekstaafd. Het kamp was na een opstand in ’43 gesloten, op het terrein liet de SS alle sporen verdwijnen. Waar gaskamers en barakken stonden werden dennen geplant.

Helse tocht

Demjanjuk was er bewaker geweest, Jules was er, 22 jaar oud, in ’42 naartoe gedeporteerd, via Westerbork. Hij kwam er na een helse tocht van drie dagen aan, in een stinkende overvolle veewagon. Bij hem was Rachel, zijn jonge vrouw. Hij was in de oorlog nog met haar getrouwd. In Sobibor zijn ruim vierendertigduizend Nederlandse Joden, een derde van het totaal, vermoord.
Dat Jules overleefde was te danken aan de selectie bij de poort, die bepaalde dat hij bij de ‘werkjoden’ werd ingedeeld. Hij was één van de achttien die de aanraking met Sobibor konden navertellen. Achttien. Sobibor was een gruwelijk efficiënte vernietigingsmachine.

Jules Schelvis wachtte een reeks van werkkampen, zeven waren het er, een lange martelgang langs de meest sinistere oorden van nazi-Duitsland. Ook hierover schreef hij – heel veel later – een boek. De stijl: sober, gebaseerd op de aantekeningen die hij in het ziekenhuis in Vaihingen had gemaakt. Hij wist toen al dat er eens een verhaal verteld moest worden.

Tussen zijn bevrijding in ’45 en het moment dat hij de pen oppakte lag een half mensenleven. Toen hij vanuit Duitsland terugkeerde naar Amsterdam was er voor zijn lotgevallen geen belangstelling, eerder overheerste de verbazing, ja bijna de verstoordheid, dat hij tot de overlevenden behoorde. Bij de uitgeverij waar hij in ’41 als graficus moest stoppen omdat hij Jood was, namen ze hem met tegenzin weer aan. Over zijn martelgang zweeg hij.

Hijzelf zei daar later over dat hij na ’45 zijn leven weer moest opbouwen, het was niet de tijd om om te zien. Hij hertrouwde, kreeg kinderen, maakte carrière, verliet de uitgeverij en klom op tot algemeen bedrijfsleider bij de Arbeiderspers.

Eredoctoraat

Het moment dat hij getuige zou worden, kwam na zijn pensionering. Met zijn Sobiborboek, waaraan hij tien jaar werkte, verdiende hij een eredoctoraat. In de rechtszaal in München projecteerde men een plattegrond van het verdwenen kamp tegen de muur. Zijn plattegrond. Jules Schelvis gaf er – in vloeiend Duits – uitleg bij. Heel precies, als een historicus. Voor rancune was geen plaats, om de waarheid ging het.  Om weer op te richten wat de SS had willen laten verdwijnen.

Toen het slepende proces na achttien maanden eindigde in een veroordeling van Demjanjuk, knielde ik in de tumultueuze rechtszaal bij hem en Rozette, de vrouw die hem trouw en zorgzaam begeleidde, neer. Jules in tranen. “Hebben we gewonnen? Hebben we verloren? We hebben meer verloren dan gewonnen.”
Demjanjuk, 91 toen, was schuldig bevonden, maar behoefde voor Jules niet naar het gevang. Verklaar hem schuldig, maar straf hem niet, had hij in zijn requisitoir gezegd. Straf strookte niet met zijn humanistische opvattingen. Sobibor liet hem ook daarna niet los. Hij had in de jaren tachtig de Stichting Sobibor opgericht om nabestaanden bij te staan en de herinnering te helpen bewaren. De stichting zette zich ook in om op het terrein van het voormalige kamp herdenkingsstenen neer te leggen met namen van slachtoffers. Die stenen spelen ook een rol bij de herinrichting van het kamp Sobibor als oord van herdenking, waartoe een groep van betrokken landen heeft besloten.

De laatste keer dat Jules zelf in Sobibor was, was in 2013, bij de herdenking van zeventig jaar Opstand. Hij behoorde met twee in Amerika levende Polen tot de laatste overlevenden. Bij het bezoek aan Polen werd ook het concentratiekamp Majdanek bij Lublin aangedaan. We passeerden gaskamers en barakken en Jules deed na hoe hij tijdens het appel zijn pet moest afzetten. ‘Mützen auf! Mützen ab!’ Hij deed de stem na.

Met de koning Op de terugweg naar het hotel in Lublin ging ik in de bus even naast hem zitten. En vroeg hem of hij nog een wens had. Ja, zei hij, hij zou graag nog spreken bij de opening van de heringerichte herdenkingsplaats. Hij was toen al in Polen onderscheiden. Hij zat toen midden in de krachttoer van een reeks van herdenkingsconcerten waarin hij zijn verhaal vertelde, ingeraamd door fragmenten klassieke muziek gespeeld door een orkest onder leiding van de gedreven dirigent Jan Vermaning. ‘Er reed een trein naar Sobibor’. Grieg, Bach. Elgar.

Die reeks voerde hem nog naar Duitsland en Polen en door een aantal Nederlandse steden. Bij de uitvoering in de Westerkerk in Amsterdam zat de koning op de eerste rij. Ze liepen na afloop samen de kerk uit, de kleine gebogen man en de grote koning.

De laatste keer dat ik hem sprak was in februari van dit jaar. Ik bezocht hem thuis in zijn appartement in Amstelveen. Hij had zich sinds zijn afsluitende optreden in het Vredespaleis uit de openbaarheid teruggetrokken. Hoe is het, vroeg ik. Belabberd, zei hij. Zijn lichamelijke conditie was achteruit gegaan. En het hoofd wilde ook niet meer. Het was genoeg geweest. Had je niet nog willen spreken, daar in Sobibor? Nee, dat was buiten zijn bereik geraakt. Je hebt tegen het vergeten iets groots verricht, zei ik tegen hem. Ja, zei hij terugblikkend, ik zie het wel als een verdienste.

Voor hem op tafel lag zijn Sobiborboek. “Het is een wetenschappelijk werk,’ zei hij ‘kijk maar naar de voetnoten.” Hier sprak de autodidact. Aan de wanden hingen schilderijen van Chagall die hij had nageschilderd. En Jozef Israëls. In de kasten literatuur over de Holocaust en alle cantates van Bach. Het winterzonlicht viel even over hem heen. Hij keerde er met gesloten ogen zijn gezicht naartoe. En glimlachte.

© Trouw dinsdag 05 april 2016

Geef een reactie