‘De Twee Geniussen’ – Rhijnvis Feith

Twee Geniussen, eens tot zekre taak gekoren,
Ontmoeten zich, waar Zin-en Geestenrijk zich scheidt.
Zij staarden lang zich aan, in diep gepeins verloren,
Dees, met een hoge ernst, die, met afkerigheid.
En bange stilte scheen op eens Natuur te omzweven.
In ’t eind vraagt de eerste, wijl een traan zijn oog ontvlood:
‘Wie zijt gij?’ ’t Antwoord is: ‘Het Leven.’
‘En gij?’ vraagt de andre. – ‘Ik ben de Dood’.
Het Leven siddert en hervat: ‘Onzalig Wezen!’
Gij zijt mijn vijand en de vijand van al de aard’.
Niets heeft ons doel gemeens. Uw blik doet ieder vrezen,
Daar mijn verschijning elk de zoetste blijdschap baart’. –
‘Ach! (zegt de Dood en zucht) hoe dwaas beslissen mensen!
Wat rove ik? bange zorg en eindeloze nood.
Hoe spoedig zou de mens het aanzijn hier verwensen,
Zo ik ter juister uur geen beter hem ontsloot?
Dat elk mij vrij misken’, dat allen voor mij beven,
In ’t offer van mij zelv’ vind ik getroost mijne eer.
Ik schenk, ondanks hem zelv’, de mens het ware leven,
En aan het eind mijns werks ben ik alleen niet meer!’
Het Leven staart hem aan met medelijdende ogen;
Het breidt zijne armen uit, omhelst hem teer, en schreit:
‘Grootmoedig Redder!’…. Maar, reeds is de Dood vervlogen.
Hij gaf het Leven met zijn kus aan de eeuwigheid.

 

En die mussen – Leo Vroman

In de vroege avondzon
hippen drie mussen
over ons balkon
en pikken intussen
naar onzichtbare dingen.
Noemen ze hun tjilpen zingen
en liever nog, proberen zij
de musheid te verhogen
tot grotere Musheid, zoals wij
met onze mensheid pogen?

Een doel dat overbodig is,
al prent ik ze graag in
dat hippen heus niet nodig is,
en oorlog evenmin.

Vriend – Vasalis

Vriend, metgezel, die meer en minder is
dan vader, moeder, minnaar, kind
hetzelfde als ik, maar anders
onafhankelijk en toegewijd
ouder, jonger, van dezelfde tijd.
Trooster, die getroost kan worden
baken en verhanger van borden
broeder, maar van een andere moeder, zonder rivaliteit
met wie ik samenloop en die mij begeleidt.
Hij gunt mij om te leven en als ik dood
zou willen, geeft hij mij gelijk.
Soms is het, dat ik om hem alleen
verdragen blijf, wat zonder hem ondraaglijk scheen.
Zonder een enkele verplichting
loop ik en altijd in zijn richting.

 

Levensmoe – Lévi Weemoedt

Ik hief mijn hoofdje uit de kinderwagen,
en zag voor ’t eerst de mensen om mij heen.
Ik stelde nog een paar gerichte vragen
en wist genoeg. En was gelukkig weer alleen.

Spring naar toolbar