H14 Tom W’s studierichting

Voorspellen met representativiteit

Stel, je krijgt de vraag voorgelegd om uit een aantal voorgestelde studierichtingen de keuze te maken welke daarvan het meest waarschijnlijk door Tom wordt gevolgd. Om hierop een antwoord te kunnen geven dien je ten minste te weten hoeveel studenten er per studierichting zijn. Het aandeel van één studierichting is de a-priorikans.

Vervolgens krijg je een beschrijving van het karakter van Tom. Als zijn karakter past bij een studierichting, bijvoorbeeld één die toewijding, precisie en weinig creativiteit vereist, en dat is een kleine studierichting zijn mensen geneigd om op basis van deze stereotyperingen hem bij een kleine studierichting in te delen, ook als is de statistische kans dat hij een grote studierichting volgt veel groter.

Het gebruiken van a-priorikansen en stereotypen wordt voorspellen met representativiteit genoemd.

De zondes van representativiteit

Het beter kunnen inschatten van kansen is een voordeel. Zo lijkt het aannemelijker dat een lange, slanke man aan basketbal doet dan aan rugby.

Toch zitten er ook nadelen aan: stel je ziet een onbekende vrouw in de metro de NRC lezen. Welke uitspraak zou je eerder geloven?

  • Ze is gepromoveerd
  • Ze is niet afgestudeerd

Het gevaar bestaat dat je als snel geneigd bent te denken dat ze hoog opgeleid is (gepromoveerd) en daarom NRC leest. De kans is echter misschien wel groter dat iemand die is gepromoveerd niet met de metro reist. Het intuïtieve oordeel (Systeem 1) kan fout zijn.

Deze zaken zijn in een wiskundige vorm van logica (de Bayesiaanse berdenering) samen te vatten:

  • Koppel je oordeel over de kans op een bepaalde uitkomst aan een geloofwaardige a-priorikans
  • Trek de diagnostiek van de aanwijzingen in twijfel.

Uit ervaring blijkt dat het lastig is volgens deze aanwijzingen te redeneren.

 

H13 Beschikbaarheid, emotie en risico

De beschikbaarheidseffecten uit H 12 zijn een verklaring voor een verschijnsel zoals het opvallende patroon van verzekeren en beschermende maatregelen na rampen. Direct erna is de aandacht ervoor groot doch na verloop van tijd verflauwt deze weer. Een econoom merkte ook op dat beschermende maatregelen meestal bedoeld zijn om de ergst mogelijke ramp die men ooit heeft ervaren het hoofd te kunnen bieden, zonder te beseffen dat het nog erger kan worden.

Beschikbaarheid en affect

Inschattingen worden beïnvloed door media. Althans, dat is wat uit een onderzoek blijkt waarin vragen zijn gesteld over het inschatten van risico’s. Hier kwam bijvoorbeeld uit:

  • 80% van de respondenten acht overlijden door een verkeersongeluk aannemelijker vergeleken met overlijden door een hersenbloeding.
    In werkelijkheid overlijden twee keer zoveel mensen door een hersenbloeding
  • Tornado’s worden als een belangrijkere doodsoorzaak gezien dan astma. Astma levert 20 keer meer doden op
  • De kans op overlijden door een ongeval werd tot 300 keer zo groot geacht als de kans op overlijden door suikerziekte. De werkelijke verhouding was destijds 1:4.

Conclusie: beangstigende beelden komen snel in ons  op en levendige gedachten aan gevaar boezemen ons angst in. Media weten deze emotionele reacties te voeden.

Het kan ook doorwerken naar perceptie van producten: als een technologie een gunstig beeld heeft dan meenden ze dat de technologie veel voordelen bood. Het effect is zelfs nog sterker: als mensen argumenten te zien kregen ten gunste daarvan gingen ze alleen al daarom er positiever over denken, ook zonder relevant bewijs. De mensen die uitsluitend de risicoargumenten te zien kregen vormden zich ook een gunstiger beeld van de voordelen.

Zoals een onderzoeker verwoordde: “De emotionele staart kwispelt met de rationele hond”.

De gewone man en de expert

“Risico is niet iets wat er is, los van ons denken en onze culturele opvattingen, klaar om te worden gemeten. Mensen hebben het concept risico bedacht om beter te kunnen omgaan met de gevaren en onzekerheden van het leven. Deze zijn reëel, maar er is niet zoiets als objectief risico”.

De burger kan daardoor invloed hebben op beleid. Dat mechanisme wordt de beschikbaarheidscascade (een nietszeggende gebeurtenis die wordt opgeblazen tot her nergens anders meer over gaat) genoemd. Bias sluipt het beleid binnen.

Voorbeeld: de emotie over bestrijdingsmiddelen kan hoog oplopen. Toevallige gebeurtenissen, zoals enkele dode dieren, worden opgeblazen en kunnen invloed hebben op de mening van de “massa”. De overheid voelt zich gedwongen om maatregelen te nemen, ook al is dat niet nodig op rationele gronden; soms bereikt het juist het tegenovergestelde van wat wordt beoogd. Denk ook aan de boortoren van Shell die zou worden afgezonken. Greenpeace ontketende massahysterie en uiteindelijk zag Shell ervan af. Inmiddels is duidelijk dat de plannen van Shell zo gek nog niet waren.

Het illustreert ons onvermogen om risico’s in te schatten: ofwel negeren wij ze ofwel wij blazen ze op. Denk aan de puber die te laat van een feestje thuiskomt. De kans dat er iets gebeurt is te verwaarlozen en toch maken ouders zich zorgen.

H12 Beschikbaarheid

Als je twee groepen willekeurige letters krijgt voorgeschoteld zie je meestal in één oogopslag welke van de twee de meeste mogelijkheden biedt om woorden van te vormen.
Je hoeft ook geen moeite te doen om een idee te krijgen van de relatieve frequentie waarmee landen in de afgelopen periode in het nieuws zijn gekomen.

Dat wordt beschikbaarheidsheuristiek genoemd. In feite is dat een voorbeeld van de vervanging van ene de vraag door de andere: je wilt de omvang van een categorie weten, dan wel de frequentie waarmee iets voorkomt, maar het zegt iets over het gemak waarmee voorbeelden uit het geheugen lijken te worden opgehaald. Deze substitutie leidt tot systematische fouten: heuristiek wordt bias. Een ander voorbeeld:

“Een ingrijpende gebeurtenis kan de beschikbaarheid van een categorie tijdelijk vergroten. Een neergestort vliegtuig zal veel media-aandacht krijgen en gevoelens over vliegen (tijdelijk) veranderen”.

Weerstand bieden aan deze bias is mogelijk maar kost veel energie.

Een ander voorbeeld: aan twee gehuwden wordt gevraagd hoe hoog hun bijdrage is aan het schoonhouden van het huis. De uitkomst, het totaal,  is vaak hoger dan 100%. Mensen zijn geneigd zich hun eigen bijdrage veel beter te herinneren en komen zo tot een te hoge relatieve score. Het kost relatief veel energie om de bijdrage van de ander op waarde te schatten.

De psychologie van beschikbaarheid.

Stel je voor dat je wordt gevraagd om zes voorbeelden van eigen assertief gedrag te geven en beoordeel hoe assertief je bent. Stel dat het twaalf voorbeelden moeten zijn, wat is dan de uitkomst?

Uitkomst: het noemen van twaalf voorbeelden is veel moeilijker. Vanwege die grotere moeite zijn mensen geneigd om zich minder assertief te vinden dan met zes voorbeelden, alleen maar omdat dat gemakkelijker gaat. Paradoxale uitkomst.

Deze paradox blijkt ook uit andere voorbeelden. Mensen krijgen minder vertrouwen in een bepaalde keuze als zij meer argumenten ten gunste van die keuze moeten noemen. Mensen zijn minder onder de indruk van een voorwerp als ze meer voordelen ervan hebben moeten noemen.

 

H11 Referentieniveaus

Referentieniveaus worden gebruikt wanneer mensen een bepaalde waarde voor een onbekende waarheid overwegen voordat ze die hoeveelheid daadwerkelijk inschatten. Volgens de experimentele psychologie: de schatting blijft in de buurt van de overwogen waarde.

Voorbeeld: als jou wordt gevraagd of Gandhi ouder was dan 114 toen hij stierf krijg je hogere schattingen dan wanneer 35 in de vraagstelling wordt gebruikt.

Dit werkt ook door in bijvoorbeeld huizenprijzen: een huis lijkt waardevoller naarmate de vraagprijs hoger is. Hetzelfde soort verschijnsel doet zich voor als je van de snelweg afrijdt: je past je snelheid aan maar vaak onvoldoende. Onvoldoende aanpassing ten opzichte van het referentieniveau.

Dit niveau probeer je ook bij open vragen aan te houden. Vanaf dat moment ga je argumenten gebruiken om dichter in de buurt te komen van het juiste antwoord. Onvoldoende aanpassing wordt gezien als een zwak (verzwakt, bijvoorbeeld door alcohol) of lui systeem 2.

Dit verschijnsel heeft te maken met het priming effect. Bij de vraag over Gandhi denk je bij het getal 144 aan een stokoude man.

Uit verschillende onderzoeken blijkt dat er zelfs min of meer een constante valt waar te nemen ten opzicht van het gemiddelde. Bij een vergelijkbare vraag over de hoogte van een boom was de afwijking tussen de hoogste en de laagste schatting ten opzichte van de gemiddelde schatting 55%. Vergelijkbare proeven leverden afwijkingen van telkens enkele tientallen procenten. Dit heet de referentie-index.

Kennis van dit fenomeen vindt praktische toepassing in onderhandelingen en prijsvorming, bijvoorbeeld bij de verkoop van huizen, maar ook bij marketingtechnische trucs als een bord met de tekst: “maximaal twaalf blikken per klant” versus “geen maximum aantal per klant”. Op dagen waarop het eerste alternatief werd gebruikt werd twee keer zoveel verkocht als op dagen met het tweede alternatief. De suggestie van schaarste dan wel snelheid van afzet bewoog mensen ertoe meer te kopen dan ze zonder die suggestie zouden hebben gedaan.

 

H10 De wet van de kleine getallen

Uitkomsten van onderzoeken worden te gemakkelijk voor waar aangenomen, terwijl men niet geneigd is om vragen te stellen bij de kwaliteit van het onderzoek. Uit een onderzoek naar het voorkomen van nierkanker in 3141 plaatsen in de VS kwam een opvallend patroon naar voren. In dunbevolkte plaatsen kwam het opvallend veel minder vaak voor dan gemiddeld. Het tegenovergestelde bleek ook waar: in dunbevolkte plaatsen kwam het vaker voor dan gemiddeld.
Beide beweringen zijn waar, maar dat komt vooral door de bevolkingsomvang van de plaatsen. Onderzoeken gepleegd in kleine plaatsen leveren vaker afwijkingen op van het gemiddelde.

De logische gevolgtrekking is dan ook dat:

  • Grotere steekproeven zijn preciezer dan kleine steekproeven
  • Kleine steekproeven leveren vaker een opvallend resultaat op dan grote steekproeven

Kahneman gebruikt ter illustratie een pot met evenveel rode en witte knikkers als voorbeeld. Als je willekeurig vier knikkers uit de pot pakt is de kans op een oververtegenwoordiging van rode / witte knikkers groter dan bij een willekeurige greep van tien knikkers.

Desondanks zijn mensen niet snel geneigd vragen te stellen bij stellige conclusies uit onderzoeken. Liever vertrouwen dan twijfel; zolang er geen gevaar te duchten valt zal het luie Systeem 1 een uitspraak voor waar aannemen. Pas als het opvallend onlogisch lijkt komt Systeem 2 in actie.

De wet van de kleine getallen blijkt onderdeel van twee grotere verhalen over de werking van onze hersenen:

  • Het overdreven vertrouwen in kleine steekproeven is slechts één voorbeeld van een grotere illusie. We besteden meer aandacht aan de inhoud van boodschappen dan aan hun betrouwbaarheid en blijven zitten met een wereldbeeld dat eenvoudiger en samenhangender is dan door de feiten gerechtvaardigd wordt. Snel conclusies trekken is veiliger in onze verbeelding dan in de echte wereld.
  • Statistieken lijken te smeken om causale verklaringen, maar lenen zich hier niet voor. Veel feiten zijn toe te schrijven aan toeval, waaronder steekproeffouten. Causale verklaringen voor willekeurige gebeurtenissen zijn uiteindelijk altijd fout.