H10 De wet van de kleine getallen

Uitkomsten van onderzoeken worden te gemakkelijk voor waar aangenomen, terwijl men niet geneigd is om vragen te stellen bij de kwaliteit van het onderzoek. Uit een onderzoek naar het voorkomen van nierkanker in 3141 plaatsen in de VS kwam een opvallend patroon naar voren. In dunbevolkte plaatsen kwam het opvallend veel minder vaak voor dan gemiddeld. Het tegenovergestelde bleek ook waar: in dunbevolkte plaatsen kwam het vaker voor dan gemiddeld.
Beide beweringen zijn waar, maar dat komt vooral door de bevolkingsomvang van de plaatsen. Onderzoeken gepleegd in kleine plaatsen leveren vaker afwijkingen op van het gemiddelde.

De logische gevolgtrekking is dan ook dat:

  • Grotere steekproeven zijn preciezer dan kleine steekproeven
  • Kleine steekproeven leveren vaker een opvallend resultaat op dan grote steekproeven

Kahneman gebruikt ter illustratie een pot met evenveel rode en witte knikkers als voorbeeld. Als je willekeurig vier knikkers uit de pot pakt is de kans op een oververtegenwoordiging van rode / witte knikkers groter dan bij een willekeurige greep van tien knikkers.

Desondanks zijn mensen niet snel geneigd vragen te stellen bij stellige conclusies uit onderzoeken. Liever vertrouwen dan twijfel; zolang er geen gevaar te duchten valt zal het luie Systeem 1 een uitspraak voor waar aannemen. Pas als het opvallend onlogisch lijkt komt Systeem 2 in actie.

De wet van de kleine getallen blijkt onderdeel van twee grotere verhalen over de werking van onze hersenen:

  • Het overdreven vertrouwen in kleine steekproeven is slechts één voorbeeld van een grotere illusie. We besteden meer aandacht aan de inhoud van boodschappen dan aan hun betrouwbaarheid en blijven zitten met een wereldbeeld dat eenvoudiger en samenhangender is dan door de feiten gerechtvaardigd wordt. Snel conclusies trekken is veiliger in onze verbeelding dan in de echte wereld.
  • Statistieken lijken te smeken om causale verklaringen, maar lenen zich hier niet voor. Veel feiten zijn toe te schrijven aan toeval, waaronder steekproeffouten. Causale verklaringen voor willekeurige gebeurtenissen zijn uiteindelijk altijd fout.

H9 Een eenvoudigere vraag graag

Een opvallend kenmerk van onze hersenen is dat we zelden helemaal geen antwoord hebben. Bij lastige vragen gaat Systeem 1 op zoek naar een eenvoudigere vraag en zal het proberen hierop een antwoord te vinden.

Vervangingsvragen
Kahneman beschrijft dit proces aan de hand van twee termen:
Doelvraag: het oordeel dat we proberen te vormen
Heuristische vraag: de eenvoudigere vraag die we in plaats van de eerste vraag proberen te beantwoorden.
Heuristiek: het gebruiken van een eenvoudige procedure om adequate, maar vaak imperfecte antwoorden op lastige vragen te vinden.

Voorbeelden:
Doelvragen:

1 Hoe gelukkig bent u op dit moment?
2 Deze vrouw stelt zich kandidaat voor de verkiezingen, Hoe ver kan ze komen?

Heuristische vragen:
1 Hoe voel ik mij nu?
2 Wekt deze vrouw de indruk van een winnaar?

Hij noemt dat het mentale hagelschot: het vinden van snelle antwoorden op lastige vragen zonder het luie Systeem 2 overmatig te belasten.

Heuristiek in drie dimensies
Een bekend plaatje is dat van een man in een gang, getekend op drie verschillende plekken. De man is overal even groot, doch door het vreemde perspectief van de gang die kleiner lijkt (smaller en met een lager plafond) lijkt de man die het verste weg is getekend groter dan de dichtstbijzijnde man. Onze hersenen maken er een driedimensionaal plaatje van en geeft daardoor een fout antwoord op de vraag die is gesteld over een tweedimensionaal plaatje.

H8 Hoe oordelen zich vormen

Basisevaluaties
Het aantal vragen dat we kunnen beantwoorden of stellen is eindeloos. Dat is een taak voor  Systeem 2. Systeem 1 werkt anders: het houdt voortdurend in de gaten wat zich binnen en buiten ons brein afspeelt en beoordeelt voortdurend diverse aspecten van de situatie zonder er specifiek de aandacht op te vestigen of anderszins inspanningen te verrichten. Deze basisevaluaties spelen een belangrijke rol in onze intuïtie, ze nemen makkelijk de plaats in van lastigere vragen. Dit is in principe hoe heuristiek en bias werken.

Wat zijn basisevaluaties? Dat is vooral het inschatten van situaties: is er een dreiging of juist een kans? Moet ik vechten of vluchten? Deze inschatting vinden bijvoorbeeld plaats op uiterlijke kenmerken zoals de vorm van een gezicht (is de kin wilskrachtig of juist wijkend), de gelaatsuitdrukking (lachend of fronsend). Deze primaire indrukken beïnvloeden keuzes en denkprocessen. Bijvoorbeeld keuzes: iemand met een sterke kin en een uitstraling van zelfvertrouwen wordt sneller als competente leidinggevende beoordeeld dan iemand die vooral voorkomend overkomt. Politici bijvoorbeeld maken nogal eens gebruik van deze neiging tot automatisch gevormde voorkeuren, beeldvorming.

Afstemming van intensiteit
Een ander talent van Systeem 1 is het op elkaar afstemmen van verschillende dimensies. Een zware misdaad zoals moord wordt geassocieerd met een donkerder tint dan diefstal en qua muziek met respectievelijk fortissimo en pianissimo, qua volume klinkt een moord harder dan een diefstal. Voor de intensiteit van bestraffingen geldt hetzelfde. Uit proeven bleek dat mensen een gevoel van onrechtvaardigheid konden ervaren als het volume van de bestraffing afweek van het volume van de misdaad.

H7 Snel conclusies trekken

Dubbelzinnigheden negeren en twijfels onderdrukken
Neem een zin als: Ann liep naar de bank. Het is de context die bepaalt welke betekenis je aan het woord bank hecht. Denk je aan een huiskamer dan zorgt het intuïtieve Systeem 1 ervoor dat je aan een meubelstuk denkt. Ben je net met geld in de weer geweest dan zorgt dat Systeem ervoor dat je aan een bankgebouw denkt. Die keuze wordt automatisch gemaakt, zonder dat je je bewust bent van de dubbelzinnige betekenis.

Dit kost minder energie dan dat je telkens bewust moet nadenken over welke uitleg van toepassing is, Systeem 2.
Een bias voor geloven en bevestigen
Latere testen bevestigen die intuïtieve beoordeling. Een onlogische zin als “Vissen eten snoep” als voorbeeld. In eerste instantie zie je het beeld voor je (Systeem 1). Dat je even later beseft dat het niet klopt is te danken aan Systeem 2. Maar dat kost wel meer moeite.

Een interessante test als voorbeeld. Mensen moesten onlogische zinnen als juist of onjuist beoordelen. Zonder afleiding ging dat meestal goed. Een vorm van afleiding, zoals het hardop tellen van getallen, zorgden voor veel meer fouten. De energie die Systeem 2 kost bleek  ontoereikend om onlogische zinnen in twijfel te trekken.

Quote: “Er zijn aanwijzingen dat mensen eerder geneigd zijn ongegronde, overtuigende boodschappen te geloven wanneer ze moe en uitgeput zijn.”

Het halo-effect
Ook zo’n vorm van “gemakzucht”. Kahneman geeft als voorbeeld de Amerikaanse president. Kun je je vinden in zijn beleid dan ben je sneller geneigd om andere aspecten van die persoon positief te waarderen, ook die aspecten die je bij een andere president wellicht minder positief of zelfs negatief zou waarderen.

(Denk ook aan bijvoorbeeld verliefdheid: alles lijkt aanvankelijk mooi en leuk, ook die eigenschappen die je bij een andere persoon zou verafschuwen. Vergelijkbare effecten kun je hebben bij je favorieten in sport, kunst en dergelijke, naar wie je anders, bevooroordeeld,  kijkt)

Het psychologische effect van de eerste indruk is evenmin niet te onderschatten. Weer een voorbeeld.
Alan is intelligent / kritisch / jaloers
Ben is jaloers / kritisch / intelligent

Dezelfde eigenschappen maar in een andere volgorde. In de meeste gevallen wordt Alan positiever beoordeeld omdat de positieve eigenschap bij hem eerst wordt genoemd en de andere daardoor een andere waarde krijgen.

What you see is all there is (WYSIATI)
Systeem 1 vertrouwt op snelle conclusies. Op de vraag of iemand een goede leider zal zijn, gekoppeld aan de eigenschappen slim en sterk is men snel geneigd om ja te antwoorden. Daarbij slaat men een stap over, namelijk de vraag te beantwoorden aan welke eigenschappen die leider zou moeten voldoen. Als even later zou volgen dat die mogelijke leider ook corrupt en wreed is dan tellen die eigenschappen minder zwaar en is de mening gevormd op basis van de eerstgenoemde eigenschappen.

Kahneman: “WYSIATI faciliteert de creatie van samenhang en de ervaring van het cognitieve gemak dat ons een bepaald feit als waar doet aannemen”
Andere aspecten daarvan:

  • Overmoed: men verzuimt er rekening mee te houden dat belangrijke informatie kan ontbreken. (Tunnelvisie, vooringenomenheid)
  • Framing: Vleeswaren met omschrijving 90% vetvrij worden als gezonder ervaren dan met de omschrijving bevat 10% vet. Het is hetzelfde.

H6 Normen, verrassingen en oorzaken

Normaliteit inschatten

De voornaamste functie van Systeem 1 is om een model van je persoonlijke belevingswereld te onderhouden en bij te werken. Dat model wordt gebruikt bij het monitoren (H5).
Verrassingen zijn een essentieel onderdeel van ons mentale leven. Het zijn verrassingen als een gebeurtenis niet wordt verwacht en het niet past binnen het genoemde model.

Er zijn twee soorten verrassingen:

  • Actieve en bewuste verrassing: je wacht op iets wat staat te gebeuren, bijvoorbeeld je hebt met een bekende afgesproken. Als dan iemand jou begroet verwacht je dat het die persoon is. Als het een ander is zul je zijn verrast.
  • Passieve verrassing. Je verwacht niet bewust iets maar je zult niet verrast zijn als het toch plaatsvindt. Een normale gebeurtenis, hoewel niet voldoende waarschijnlijk om actief te worden verwacht. Bijvoorbeeld een kapotte auto langs de weg.
    Passieve verwachtingen kunnen snel actief worden. Als de volgende keer op dezelfde plek weer een kapotte auto staat is het gewoner geworden en zul je bij de derde keer minder verrast zijn als het zich weer voordoet, ondanks dat het nog steeds een vrij ongewoon voorval is.

De “Mozes-misleiding” is een illustratie van wel of niet normaliteit.
“Hoeveel dieren van elke soort nam Mozes mee in de ark?” Een zin die niet meteen als onjuist wordt herkend om de begrippen uit dezelfde context komen. Zou in de plaats van Mozes een niet-bijbelse naam staan dan zou dat eerder als abnormaal worden herkend.

Dergelijke normaliteiten zijn min of meer algemeen aanvaard. Dat bevordert en is eigenlijk onmisbaar bij communicatie. Iedereen heeft wel een bepaald beeld bij een tafel. Als mensen geheel van elkaar afwijkende modellen zouden hebben wordt communicatie lastig, zo niet onmogelijk.

Oorzaken en intenties
Dergelijke gemeenschappelijke modellen kunnen toe gevolg hebben dat mensen op dezelfde boodschap vergelijkbaar reageren. Een bekend voorbeeld:

“Vangst van Saddam Hussein luidt misschien niet einde terrorisme in”. Deze zin zorgde voor stijgende beurskoersen van staatsobligaties. Mensen gingen op zoek naar zekerheid.

“Vangst van Saddam Hussein maakt risicovolle beleggingen aantrekkelijker”. Deze boodschap volgde een half uur later en zorgde voor dalende koersen van staatsobligaties. Mensen durfden het risico weer aan.

Systeem 1 zorgt voor de  min of meer automatische reactie op dergelijke berichten en resulteert in een vorm van kuddegedrag omdat veel mensen blijkbaar vergelijkbare modellen van verwachtingen hanteren. Dezelfde oorzaken resulteren in dezelfde gevolgen, vergelijkbare boodschappen in vergelijkbare conclusies en handelingen.

 

Dergelijke causaliteit is aangeboren. Bij het testen van baby’s is al gebleken dat die in staat zijn oorzaak en gevolg te onderkennen. Training en ervaring zorgen ervoor dat deze natuurlijke aanleg wordt versterkt, de modellen worden verbeterd en Systeem 2 minder behoeft te worden aangesproken.