H26 De prospecttheorie

Dit hoofdstuk borduurt voort op de utiliteitstheorie: winst wordt vastgesteld door de utiliteiten van twee toestanden van rijkdom te vergelijken. Deze theorie heeft volgens Kahneman nog een andere blinde vlek: er is geen onderscheid tussen winst en verlies.
Hij geeft verschillende voorbeelden van keuzemogelijkheden waarin de procentuele kans om iets te winnen wordt vergeleken met dezelfde procentuele kans om iets te verliezen.

Voorbeeld:

  1. Met zekerheid 900 dollar krijgen of 90% kans om 1.000 dollar te krijgen
  2. Met zekerheid 900 dollar verliezen of 90% kans om 1.000 dollar te verliezen
    Bij alternatief 1 koos men vooral voor zekerheid. Bij alternatief 2 koos men vooral voor de gok. Waaruit werd geconcludeerd dat verliezen zwaarder woog dan winnen.

Hij komt met nog een aantal andere voorbeelden en verdere uitwerkingen van dit voorbeeld. De mens heeft gemiddeld genomen een grotere afkeer van verlies dan dat men de kans aangrijpt om te winnen.

Hij benoemt drie cognitieve kenmerken:

  1. Beoordeling is afhankelijk van een neutraal referentiepunt. Denk aan het experiment met de bakken met water: links koud, rechts warm en in het midden lauw. Eén hand in de koude bak, één in de warme en dan beide in de lauwe.
  2. Een principe van verminderende gevoeligheid is zowel van toepassing op zintuigelijke dimensies als op de beoordeling van veranderingen in de rijkdom. Denk aan licht: een lamp in een donkere kamer lijkt meer licht geven dan dezelfde lamp in een verlichte kamer
  3. Afkeer van verlies. Wanneer ze direct met elkaar worden vergeleken wegen verliezen zwaarder dan winsten, met een factor van circa twee,

Dit leidt tot een theorie die hij de prospecttheorie noemt. Toch heeft ook deze theorie enkele blinde vlekken.

  • Bij een kleine kans om een groot bedrag te winnen voelt verliezen minder zwaar dan verliezen bij een grote kans om iets te winnen. Verwachtingen en teleurstellingen spelen hierin een rol.
  • De rol van spijt. Bij 90 procent kans om veel te winnen, zeg 1 miljoen, of de zekerheid om een klein bedrag dan wel een groot bedrag, respectievelijk 50 dollar of 150.000 dollar, te krijgen, is er meer spijt in het tweede geval dan in het eerste geval als je de gok neemt en verliest.

 

H25 De fouten van Bernouilli

Deel 4 gaat over het maken van keuzes. Het begint met de vraag: welke regels bepalen hoe mensen kiezen tussen verschillende simpele gokken en tussen gokken en zekerheden. Het vakgebied beschikt over een theorie, de theorie van verwachte utiliteit, keuzelogica. Neem een voorbeeld:

Waaraan geef je de voorkeur?
A Gooi een munt op. Als het kop is win je 100 dollar en als het munt is niets.
B Je krijgt met zekerheid 46 dollar.

Veruit de meeste mensen bleken op veilig te spelen.

De fout van Bernouilli
Hij is de bedenker van een theorie die er, kort gezegd, op neerkomt dat absolute vermogenstoename voor een relatief arm persoon meer utiliteit heeft dan voor een relatief rijk persoon; de teruglopende marginale waarde van rijkdom.

De theorie gaat mank op enkele onderdelen. Voorbeeld:
A en B hebben elk 5 miljoen.
A had gisteren 1 miljoen en B 9

A en B zijn nu even rijk en zouden vanaf nu even gelukkig moeten zijn. Hierbij wordt vergeten om te vergelijken met gisteren; die gaat uit van het nu. Als dat wel zou gebeuren dan zou A gelukkiger zijn en B niet.

Ander voorbeeld:
A bezit 1 miljoen en B 4 miljoen.
Zij kunnen allebei kiezen:
Gelijke kansen om 1 of 4 miljoen te bezitten of
De zekerheid van 2 miljoen

Bij het kiezen voor zekerheid verdubbelt het vermogen van A en halveert dat van B. De keuzen zullen mogelijk anders uitpakken, omdat de uitgangspunten verschillend zijn.

 

H24 De machinerie van het kapitalisme

De planningsfout is slechts één verschijningsvorm van een optimistische bias. Veel mensen zien de wereld als goedaardiger dan hij werkelijk is, eigen persoonskenmerken als gunstiger dan ze werkelijk zijn en de doelen bereikbaarder dan ze vaak blijken te zijn.

Een optimistische bias kan zowel een zegen als een vloek zijn en daarom zou een optimistische instelling zowel gelukkig als waakzaam moeten maken.

Optimisten
Zij zijn vaak opgewekt en gelukkig, en daarom populair; zij tonen veerkracht bij het verwerken van tegenslagen, hebben een sterker immuunsysteem en dergelijke.

Zij spelen vaak een onevenredig grote rol in de vormgeving van ons bestaan. Hun beslissingen zijn vaak doorslaggevend; zij zijn de uitvinders, ondernemers, leiders. Maar vaak hebben zij ook geluk gehad, meer dan zij willen toegeven.

Hypothese: mensen met de grootste invloed op het leven van anderen zijn vaak optimistisch en te zelfverzekerd, en nemen meer risico’s dan ze beseffen. Toch geloven ze vaak dat ze voorzichtig zijn, denken ze ten onrechte dat ze risico’s goed kunnen inschatten.

Waanideeën van ondernemers
Startende ondernemers zijn veel te optimistisch over de overlevingskansen van hun onderneming. Gemiddeld twee van de drie houden het nog geen vijf jaar vol. Toch denken nieuwe starters dat dit op hen niet van toepassing is.

Een vergelijkbaar verschijnsel zie je bij overnames van bedrijven. Het gaat vaker fout dan goed en toch blijft men het proberen. Het onverwoestbare optimisme van de topmanagers (en hun ego’s) is groter dan verstandig is.

In het hoofdstuk worden nog heel wat meer voorbeelden behandeld waaruit blijkt dat optimistisch zijn ook schaduwkanten heeft. Erg leerzaam!

H23 Het externe gezichtspunt

Dit hoofdstuk begint met het verslag van een project, een onderwijsplan,  waaraan Kahneman was begonnen op verzoek van de overheid. Na een jaar vroeg hij aan de groep hoe lang het zou duren om het project te kunnen afronden. De uitkomst lag rond de twee jaar.
Een externe onderzoeker deelde mee dat vergelijkbare projecten:

  • Ongeveer zeven jaar nodig hadden te kunnen worden afgerond
  • Veertig procent onderweg mislukt.

Hoewel zij beter zouden moeten weten negeerden zij dit. Het enthousiasme in de groep belemmerde het zicht op de werkelijkheid. Zij gingen voort. Uiteindelijk duurde het acht jaar om het af te ronden en toen het eenmaal zover was werd het onderwijsplan niet in gebruik genomen. Kahneman leerde drie lessen:

  • Er is een fundamenteel onderscheid in voorspellen tussen mensen met een intern en met een extern gezichtspunt
  • De oorspronkelijke voorspellingen over de duur geven blijk van een (onvermijdelijke) planningsfout
  • Irrationele vasthoudendheid inzake een project dat op basis van ervaringen grotere kans had te mislukken dan te slagen

Het voornaamste probleem is dat men geen rekening houdt met de onbekende onbekenden, zoals ruzies, ziekten, echtscheidingen en allerlei andere afleidende zaken die de voortgang belemmeren

De planningsfout
Hij geeft voorbeelden van publieke projecten die langer duren dan voorzien en kostbaarder uitvallen dan begroot. Uit onderzoeken blijkt dat mensen geen rekening houden met onbekende onbekenden, en wat nog erger is, gaandeweg geen blijk geven van voortschrijdend inzicht.

Dit gebeurt ook bij relatief kleine projecten zoals verbouwingen. Dit kan komen omdat mensen onderschatten in hoeverre hun oorspronkelijke wensen zich uitbreiden gaande een lopend project.

De planningsfout verzachten
Er is een methode om dit soort fouten te verminderen:

  • Stel een passende referentieklasse vast (zoals keukenverbouwingen)
  • Verzamel de cijfers over de referentieklasse. Gebruik deze om een basisvoorspelling te genereren.
  • Gebruik specifieke informatie om deze (tussentijds) aan te passen.

 

 

H22 Wanneer kunnen we ons verlaten op intuïties van experts

Dit hoofdstuk gaat vooral over het verschil van inzicht tussen Kahneman en een collega die van mening was dat menselijke oordelen superieur zijn aan algoritmen. In plaats van ruzie te maken zijn zij de uitdaging aangegaan om te achterhalen waar dat verschil van inzicht vandaan komt. Het leidde tot een serie gesprekken en uitwisseling van kennis die bijn tien jaar heeft geduurd.

Wonderen en tekorten
Hier wordt een boek aangehaald dat twee tegenstrijdige voorbeelden van intuïtie geeft. Een beeld dat vervalst lijkt maar waarvan de vervalsing niet kan worden aangetoond. Toch is de consensus: vervalsing. Een triomf (?) van intuïtie. Een president is gekozen omdat hij er sterk en besluitvaardig uitzag, maar hij werd een mislukking. Dit is een voorbeeld van falende intuïtie.
Een vrij zwak en overbodige passage.

De invloed van vaardigheid, oefening en feedback
De rest van het hoofdstuk behandelt voorbeelden van situaties waarin mensen wel op hun intuïtie mogen afgaan. Het gaat dan vaak om situaties die weinig invloed ondervinden van niet of moeilijk beheersbare externe factoren; denk aan een brandweerman die heeft leren aanvoelen wanneer een gebouw zodanig is verzwakt dat uitwijken of naar buiten gaan de beste optie is.

Maar bijvoorbeeld ook de schaker die door vele uren oefening in staat is om stellingen te doorgronden en zonder nadenken een zinnige zet weet te doen, iets wat een beginner of niet geoefende schaker niet zou kunnen.

Het zijn dat soort verschillen die de meningen van beide deskundigen nuanceren: Kahneman heeft ervaren door zijn onderzoeksobjecten dat algoritmen tot betere uitkomsten leiden en bij de collega was dat anders doordat hij andere onderzoeksobjecten had gebruikt.

H21 Intuïties of formules

Dit hoofdstuk gaat over de kwaliteit van voorspellingen op basis van intuïtie versus formules. Een psycholoog, Paul Meehl, had ontdekt dat statistische algoritmes, die uitgingen van cijfers op de middelbare school en een enkele aanlegtest, beter waren in het voorspellen van cijfers van eerstejaars studenten dan counselors die een uitgebreid interview afnamen en allerlei variabelen beoordeelden. Deze uitkomsten was confronterend: formules werkten beter dan intuïtie.

Later zijn er vergelijkbare testen gedaan en telkens was de uitkomst hetzelfde. De belangrijkste conclusie over de mogelijke oorzaak: de mens is niet consistent in zijn beoordelingen. Toeval speelt een rol, humeur kan van invloed zijn, net als allerlei externe factoren een rol kunnen spelen. Naarmate de complexiteit toeneemt neemt de vaardigheid om de informatie juist te beoordelen af. Formules en algoritmes hebben hiervan geen last.

De vijandigheid tegenover algoritmen
Van meet af aan hebben klinisch psychologen met ongeloof op deze ideeën gereageerd. Zij worden tijdens therapeutische sessies telkens beloond met bevestiging van hun ingevingen, waarbij zij verwachtingen ontwikkelen over hoe de patiënt zal reageren op een interventie door de psycholoog. Dat blijken echter vooral bevestigingen op de korte termijn te zijn; het zegt weinig over de ontwikkelingen op lange termijn. Het sterkt hen echter wel in de gedachte dat zij goed zijn in hun vak en het altijd beter zullen weten dan formules, zelfs als evaluaties anders doen vermoeden.

Het is een menselijk trekje. Toen Kasparov tegen een computer schaakte waren de meeste mensen op de hand van de mens. Dat veranderde niet toen de computer ging winnen. De algoritmes zijn onbekend en daarom onbemind. Zie in het huidige tijdsgewricht de discussie over zelfrijdende auto’s. Een ongeluk van een dergelijk vervoermiddel krijgt veel aandacht en verkleint de kans op acceptatie, terwijl de statistische kans op ongelukken veel kleiner blijkt te zijn. De mens overschat zichzelf.

Leren van Meehl
Kahneman heeft in praktijk gebracht om een interviewsysteem op te zetten dat van een klein aantal variabelen uitgaat en dat in de plaats laten komen van een veel uitgebreider systeem met veel variabelen die door mensen moesten worden gewaardeerd. Het was meer een formule dan een meer intuïtief systeem. Zijn systeem bleek beter te functioneren en wordt een aantal decennia later nog steeds gebruikt. Minder is meer, zeg maar.

H20 De illusie van validiteit

De illusie van validiteit
Kahneman is aan het begin van zijn loopbaan betrokken geweest bij het beoordelen van kandidaten voor de officiersopleiding in het leger. De kandidaten moesten allerlei testen ondergaan en opdrachten verrichten. Door observatie moest een oordeel worden gevormd over de geschiktheid van kandidaten.

Uit evaluaties bleek dat deze observaties net zo vaak goed zaten als fout. Het bleek niet mogelijk om vooraf aan te geven of een kandidaat zou slagen of mislukken. Desondanks bleven de beoordelaars hardnekkig op dezelfde voet doorgaan. Het bleek de eerste keer dat hij een cognitieve illusie ontdekte: de illusie van validiteit.

Het onterechte onwrikbare vertrouwen in het oordeel bracht hem tot de volgende conclusie: “verklaringen van onwrikbaar vertrouwen maken vooral duidelijk dat iemand in zijn denken een samenhangend verhaal heeft opgebouwd, en niet noodzakelijk dat dit verhaal ook waar is.”

De illusie van slim beleggen
Een variant op het voorgaande. Hoe kan het gebeuren dat de ene persoon aandelen verkoopt terwijl de andere deze koopt, zelfs als de beschikbare informatie identiek is? Beiden denken in feite dat de prijs niet deugt.

Het komt door de illusie dat iemand denkt dat hij het beter denkt te weten dan de markt. Diverse experimenten hebben inmiddels aangetoond dat dit min of meer onzin is.

Uit een onderzoek van de resultaten van een aantal beleggingsadviseurs over een periode van acht jaar bleek er geen enkele correlatie te zijn tussen de uitkomsten en de behaalde scores per adviseur. Succes of falen bleek op geluk te berusten. Toch hield de leiding vast aan de vastgeroeste gewoonte om het bonusbeleid te baseren op behaalde resultaten en de adviseurs hielden vertrouwen in hun kwaliteiten.

Waardoor worden de illusies van vaardigheid en validiteit ondersteund?
Cognitieve illusies zijn hardnekkiger dan visuele illusies. Kennis over de Müller – Lyer illusie brengt geen verandering in hoe je de lijnen ziet, maar verandert je gedrag. Je weet dat je niet op je indruk kunt vertrouwen.

Mensen die zich verdiepen in materie, zoals beleggingsadviseurs, menen experts te zijn en denken op basis daarvan de waarheid in pacht te hebben, in ieder geval over meer kennis te beschikken dan anderen.

Beroepscultuur is een andere factor.

De illusie van experts
Het idee dat de toekomst voorspelbaar is, wordt elke dag ondermijnd door het gemak waarmee het verleden wordt verklaard. Terugkijkend is alles duidelijk, en experts kunnen dan heel stellig zijn in hun beweringen dat hetgeen is gebeurd voorspeld had kunnen worden.

Het vaak gebruikte beeld van “de mars der geschiedenis” impliceert orde en richting. De grote bewegingen in de 20e eeuw zijn mede gevormd door Hitler, Mao en Stalin. Experts doen hun best om de geschiedenis te verklaren maar sluiten daarbij de rol van het toeval te veel uit. Want stel nu dat de bevruchting iets anders was gelopen dan hadden er mogelijk heel andere kinderen geboren kunnen worden, of meisjes in plaats. De geschiedenis zou een heel ander gezicht hebben gehad.

Experts worden liever niet geconfronteerd met deze ongemakkelijke waarheid.

H19 De illusie van begrip

Het idee van de filosoof Taleb van een narratieve vertekening om te beschrijven hoe ondeugdelijke verhalen uit het verleden van invloed zijn op ons zicht op de actualiteit en onze verwachtingen van de toekomst ligt aan de basis van dit hoofdstuk. We laten ons voor de gek houden door flinterdunne verhalen over het verleden te bedenken en te geloven dat ze waar zijn.

Als voorbeeld dient het succes van Google. Met de wijsheid van nu lijkt het een opeenstapeling van successen, doch de rol van geluk en toeval mag je niet onderschatten. De twee eigenaren waren in 1999 bereid hun bedrijf te verkopen voor $ 750.000. De deal ging niet door, de koper zag ervan af. Het had dus heel anders kunnen lopen. Dit effect wordt versterkt door het halo-effect dat hen iets onoverwinnelijks geeft.

Dit geldt ook voor de mensen die zeggen dat ze wisten dat er een economische crisis aankwam terwijl er heel wat anderen waren die erdoor werden overvallen. Het zit hem in het gebruik van het woord weten. Als het kenbaar zou zijn dan had iedereen het kunnen “weten”, nu kun je het hooguit intuïtie noemen of een voorgevoel van een enkeling.
Conclusie: we begrijpen het verleden minder goed dan we denken. De bias van wijsheid achteraf.

De maatschappelijke kosten van kennis achteraf
Mensen blijken in staat om verwachtingen die ze vooraf hadden van de mogelijke uitkomst van een gebeurtenis te substitueren door andere verwachtingen die dichter bij de werkelijke uitkomst liggen. Hun eerdere verwachtingen zijn verdrongen dan wel vinden zij een stuk minder aannemelijk dan vooraf.

Voorbeeld: twee gelijkwaardige ploegen spelen een wedstrijd en er is een klinkende zege voor de ene ploeg. Vooraf waren de verwachtingen anders dan met het werkelijke resultaat in het achterhoofd.

Dat houdt een gevaar in. Men kan op basis van een incident geneigd zijn verwachtingen bij te stellen. Stel: bij een ongevaarlijke ingreep overlijdt een patiënt. Een rechter zou door dit voorval tot de wijsheid achteraf kunnen komen dat de ingreep gevaarlijker was dan in werkelijkheid het geval was, en dat de chirurg mogelijk onverantwoorde risico’s heeft genomen. Dit noemt Kahneman uitkomstbias.

Recepten voor succes
De illusie dat je het verleden hebt begrepen voedt de illusie dat je de toekomst kunt beheersen en voorspellen. Dat dit bedrieglijk is illustreert hij met het voorbeeld van Tom Peters’ boek In search of excellence. Het beschrijft een aantal bedrijven die succesvol zijn geweest en dat je er daarom op kunt vertrouwen dat zij succesvol zullen blijven. Dat is beschaamd. Veel van die beschreven bedrijven hebben inmiddels het loodje gelegd omdat zij minder zijn gaan presteren.

Het je baseren op prestaties uit het verleden, blijkt geen garantie voor een succesvolle toekomst. Waarmee het gevaar van wijsheid achteraf wel is aangetoond.

Een ander aspect dat weer om de hoek komt kijken is regressie naar het gemiddelde. Het bovengemiddeld presteren bevat een toevalsfactor die op de langere termijn er niet meer zal zijn.

H17 Regressie naar het gemiddelde

Een bekend principe bij het verkrijgen van nieuwe vaardigheden is dat belonen beter werkt dan bestraffen. Tijdens een instructie kreeg Kahneman een reactie van een militair: soldaten die werden geprezen voor hun goede werk deden dezelfde opdracht een volgende keer minder goed, soldaten die bestraffend werden toegesproken deden het de volgende keer juist beter.

Dit voorbeeld haalt hij aan om het principe van regressie naar het gemiddelde uit te leggen. De uitvoering van een activiteit kan per keer verschillen als, behalve talent, ook geluk een factor is. Neem sport: van een sporter die op een zeer goede dag een bijzonder goede prestatie levert is de kans groot dat hij op een andere dag minder presteert. Het principe werkt andersom ook. Hij geeft als voorbeeld:

  • De golfer die goed presteerde op dag 1, zal waarschijnlijk ook op dag 2 goed spelen, maar minder goed dan op dag 1, omdat hij de ongebruikelijke hoeveelheid geluk die hij op die dag had, niet nogmaals zal hebben
  • De golfer die slecht presteerde op dag 1, zal waarschijnlijk ook op dag 2 minder goed spelen dan gemiddeld, maar wel iets beter dan op dag 1, omdat hij de ongebruikelijke hoeveelheid pech die hij op die dag had, niet nogmaals zal hebben

Correlatie
Correlatie speelt hierbij  een rol. Bij een volkomen correlatie speelt regressie naar het gemiddelde geen rol. Bij elke niet-volkomen correlatie is er sprake van regressie naar het gemiddelde.
Dit valt te illustreren met de volgende opmerking:

“Zeer intelligente vrouwen trouwen over het algemeen met minder intelligente mannen”.

Een uitspraak met een grote statistische kans op juistheid. Toch zijn mensen gauw geneigd om dit in causale termen uit te leggen in plaats van de statistiek te accepteren, bijvoorbeeld door te stellen dat intelligente vrouwen de concurrentie van intelligente mannen zouden willen vermijden, of dat ze een compromis moeten sluiten omdat intelligente mannen niet graag met een intelligente vrouw trouwen.

Ander voorbeeld van hoe misleiden dit kan uitwerken:

“Depressieve kinderen voelen zich beter na energiedrankje”.

Het zou zomaar waar kunnen zijn, maar depressieve kinderen voelen zich na verloop van tijd ook beter door andere activiteiten, zoals het dagelijks aaien van een kat. Bijvoorbeeld reclamemakers en degenen die gezondheidsclaims relateren aan voeding maken gretig gebruik van deze vorm van misleiding.

 

 

H16 Oorzaken gaan vóór statistiek

Een voorbeeld: in een stad zijn twee taxibedrijven actief, groen en blauw. Een taxi raakt betrokken bij een ongeval en rijdt door. Informatie:

  • 85% van de taxi’s is groen
  • Een getuige beweert een blauwe taxi te hebben zien wegrijden. Uit onderzoek blijkt dat in 80% van de gevallen de kleur juist is waargenomen

Wat is de kans dat de bij het ongeluk betrokken taxi blauw was?

Zonder getuigenis is de kans hierop 15%. Zouden de bedrijven even groot zijn dan is het verhaal van de getuige van grote invloed.
Resultaat onderzoek: in 80% van de gevallen gaf men het antwoord blauw. En dat terwijl volgens een statistische rekenmethode de kans daarop 41% zou zijn.

Een variant hierop gaf vergelijkbare uitkomsten. Conclusies:

  • Statistische a-priorikansen (85% groene taxi’s) worden afgezwakt / genegeerd wanneer er specifieke informatie (de getuigenis) over het geval beschikbaar is
  • Causale a-priorikansen worden verwerkt als informatie over het individuele geval en kunnen makkelijk met andere gevalspecifieke informatie worden gecombineerd

Een tweede onderzoek gaat over het bystander effect. Als mensen in een groep worden geconfronteerd met een noodsituatie gaat de meerderheid ervan uit dat een ander hulp zal verlenen. Als mensen alleen zijn en dezelfde noodsituatie zien zullen zij veel eerder geneigd zijn te helpen.

Dit is niet verrassend. Weel verrassend is de uitkomst van een onderzoek waaruit blijkt dat mensen dit niet van zichzelf inzien. Men bleek evenmin in staat om de denkwijze over hun eigen gedrag aan te passen.

Spring naar toolbar