Vijfletterwoord – Remco Campert

Is het kunst
vraagt hij voorzichtig
anders weet hij niet
of hij genieten mag
als hij het mooi vindt
wil dat dan zeggen
dat het kunst is
==
ik kan het niet helpen
ik vind het mooi zegt hij
alsof hij er zich voor verontschuldigen moet
bij de kenner die zegt
dat het geen kunst is
maar als hij het mooi vindt
dan staat hem dat vrij
zegt de kenner goedgunstig

Om het te maken
zijn er zo veel manieren
maar het eindigt
van plan of niet
op die ene manier
die alle andere uitsluit
dan pas weet je
dat je het zo wilde
en zegt een ander
dat het kunst is
vijfletterwoord
dat medeklinkt en klinkt
==
het maaksel zelf
weet niet dat het kunst is
soms voegt een duif
iets aan het standbeeld toe

Aan een klein meisje – Annie M.G. Schmidt

Dit is een land waar grote mensen wonen.
Je hoeft er nog niet in: het is er boos.
Er zijn geen feeën meer, er zijn hormonen.
En altijd is er weer wat anders loos.

En in dit land zijn alle avonturen.
Hetzelfde, van een man en van een vrouw.
En achter elke muur zijn andere muren.
En nooit een eenhoorn of een bietebauw.

En alle dingen hebben hier twee kanten.
En alle teddyberen zijn hier dood.
En boze stukken staan in boze kranten.
En dat doen boze mannen voor hun brood.

Een bos is hier alleen maar een boel bomen.
En de soldaten zijn niet meer van tin.
Dit is een land waar grote mensen wonen.
Wees maar niet bang. Je hoeft er nog niet in.

Elegie – Willem Thies

Hij had hobby’s, eigenaardigheden, fascinaties.
Zo zachtzinnig was hij, fijngevoelig, hij had pianovingers.
Als hij zijn handen balde, waren zijn vuisten klein.

De onbemande auto heeft hem ingehaald.

Het kwam onverwacht, al is het altíjd te vroeg.
Niemand gaat te laat. We zullen ons aan herinneringen
moeten vergrijpen, zoals je masturbeert bij de gedachte
aan de nachten met die ex.

Opgelucht gelach bij een levendig vertelde anekdote.

We ontbloten onze rouw, vergelijken wie de grootste.

Ik zing een treurig lied, een lied dat geen troost biedt,
maar ik ben de meeste woorden vergeten.
Ik zing het refrein twee keer om dat goed te maken.

Laat nu de lijster zwijgen,
Laat de linden stokken in hun knoppen

Tuin van Epicurus – Ida Gerhardt

Wij kozen soberheid tot bondgenoot.
De geest beheerst als willig instrument
het lichaam, tot die fiere dienst gewend;
gevoed met zuiver water, zuiver brood.
Wij kozen soberheid tot bondgenoot.
Besloten schikt zich in der uren kring
naar strikte trant tot rust en ordening
wat ons het denken, vrijuit zwervend bood.
Wij kozen soberheid tot bondgenoot.
Wij arbeiden in zwijgen en geduld;
de dag is als een honingkorf gevuld
en vriendschap is iin onze tuin genood.
Wij kozen soberheid tot bondgenoot,-
en uur na uur draagt ons zijn gave aan,
wij rijpen als de vruchten, als het graan
in ’t goede leven tot de goede dood.

Gesprek met een steen – Wisława Szymborska

Ik klop op de deur van een steen.
‘Ik ben het, doe open.
Ik wil bij jou naar binnen gaan,
overal bij je rondkijken, met jou mijn longen vullen.’

‘Ga weg,’ zegt de steen.
Ik ben hermetisch gesloten.
Zelfs aan stukken geslagen
zullen we hermetisch gesloten blijven.
Zelfs fijngewreven tot zand
zullen we niemand binnenlaten.’

Ik klop op de deur van de steen.
‘Ik ben het, doe open.
Ik kom uit louter nieuwsgierigheid
die alleen het leven kan bevredigen.
Ik heb me voorgenomen door je paleis te wandelen
en daarna nog blad en waterdruppel te bezoeken.
Ik heb voor die dingen niet veel tijd.
Mijn sterfelijkheid hoort je te ontroeren.’

‘Ik ben van steen,’ zegt de steen,
‘en moet noodzakelijkerwijs mijn ernst bewaren.
Ga hier weg.
Ik heb geen lachspieren.’

Ik klop op de deur van de steen.
‘Ik ben het, doe open.
Ik heb gehoord datje binnen grote lege zalen hebt,
onbezichtigd en vruchteloos mooi,
verlaten en zonder echo van enige voetstap.
Geef toe datje daar zelf niet veel van weet.’

‘Ja, grote en lege zalen,’ zegt de steen,
er is alleen geen plaats.
Mooi, wellicht, maar dat gaat de smaak van
jouw gebrekkige zintuigen te boven.
Je kunt me leren kennen, maar ervaren nooit.
Mijn hele oppervlak keer ik jou toe,
mijn hele binnenste wend ik van je af.’

Ik klop op de deur van de steen.
‘Ik ben het, doe open.
Ik zoek in jou geen toevlucht voor altijd.
Ik ben niet ongelukkig.
Ik heb zelf ook een huis.
Mijn wereld is een terugkeer waard.
Ik kom en ga met lege handen.
En als bewijs dat ik hier werkelijk was,
kan ik slechts beschikken over woorden die niemand zal geloven.’

‘Je komt er niet in,’ zegt de steen.
‘Je mist het zintuig van de deelname.
En er is niets wat dat vervangen kan.
Zelfs een tot alziendheid aangescherpte blik
baat je niets zonder het zintuig van de deelname.
Je komt er niet in, hebt er nauwelijks een idee van,
bezit nauwelijks zijn kiem, de verbeelding.’

Ik klop op de deur van de steen.
‘Ik ben het, doe open.
Ik kan niet tweeduizend eeuwen wachten
voor ik in jouw huis mag komen.’

‘Als je mij niet gelooft,’ zegt de steen,
‘vraag dan het blad, je zult hetzelfde horen.
Vraag het de waterdruppel, zijn antwoord luidt net zo.
Vraag het tenslotte een haar op je eigen hoofd.
Een lach zwelt in me aan, een reusachtige lach,
maar ik weet niet hoe ik hem moet lachen.’

Ik klop op de deur van de steen.
‘Ik ben het, doe open.’

‘Ik heb geen deur,’ zegt de steen.