Fantoom – Anna Enquist

Het is een woord voor pijn die geen
bestaansrecht heeft; je lijdt aan
een afwezigheid, je snakt met hart
en huid naar wat er eerst nog was.

Wat afgesneden is dringt zich bedrieglijk
op, je strekt je armen blind naar
de verzaagde voet, een leegte,
het verdwenen kind. Het is een naam

voor wat zich voordoet in de zestien
meter van de ziel: een spookbeeld snelt
de doelmond in en doet alle verlies
teniet, maakt alles goed.

Bron en analyse: http://klassiekegedichten.net/index.php?id=197

Een klein draadje – Leo Vroman

Met dat hoofd gebeurt nog eens wat.
Het gelaat ligt me al te plat
op de vette hersenkast.
Er gebeurt vast wat.

O, als ooit dit peinskistje splijt
als een vrij eetbare brei
verschijnt dan dit brein van mij
en bevlekt met gedachten de grond
maar de dood verzegelt mijn mond,
en minder dood dan wel veilig
sterft het schijnheilig.

Door de dood word ik graag overmand.
Ik vrees meer mijn gezond verstand.

Ik vrees dat leger van spinnen –
– de zenuwcellen daarbinnen.

Dat vreselijk web vol webben
kan ik eigenlijk niet goed hebben.

Wat zou er b.v. gebeuren
als twee draadjes zouden scheuren
en contact maken met elkaar
onzichtbaar, diep onder mijn haar,
terwijl ik uitwendig zo
maar in een winkel bezig ben
groenten en vlees te ko-
pen…

Er knetteren geen vlammen en vonken.
Iemand zegt: is hij dronken?

Opeens zit ik voor ons huis op de stoep
met zes duizend blikken soep.

En zegt mijn tedere vrouw:
lieverd, wat doe je nou?
Dan zeg ik: nu gaan we eten,
o nee, ik ben de soep vergeten.

Gebeurt het onder het dichten,
wie purp publiek dan inlichten
dat dit geen genialiteit
maar een purpje los is, of kwi

jt? Een draadje dat stroom opslurpt
van murp gedachtengurpt.

En kurpsluiting leidt tot brurp –
Brarp! Hurp! Hurp!

Onbereikbare nimf in Marseille – Delphine Lecompte

We hebben dezelfde leeftijd
Maar ons uiterlijk ligt op verschillende polen
Je bent bruin en je hebt wimpers die mannen gelijk geven
Je ziet mij niet, je aanbidders zien mij nog minder
Ze weten niet dat ik zou afwerken waar jij je neus voor ophaalt.

Jouw neus wip, de mijne havik
Ik woon in Brugge, jij woont in de gouden kooi van je rijke vader
Hij is mooier dan zijn vrouw; je vader
Zijn honden zijn Ierse setters met een stamboom
Zijn beroep is speculaas, zijn hobby is speculatie.

Ik verleid je vader na een karaokeavond
Hij zong een liedje van Robert Palmer, ik zong niets
Een compliment over zijn zangkwaliteiten is genoeg
Om hem voor mij te winnen, het hotel heet vreemd ‘Sous les limaces’
De lakens ruiken naar ontstoken geitenoren, en in de badkuip ligt een besmeurde mijter.

Ik denk dat ik de seks drie decennia zal onthouden
Maar ik weet nog niet of ik wel 44 jaar wil worden
Na de seks stel ik de speculaasfabrikant gulzige vragen over zijn dochter:
Waar ligt haar grilligste geboortevlek? Naar welke ontdekkingsreiziger kijkt ze op?
Welk dier was ze in haar vorige leven? Wanneer verloor ze haar amandelen?
Wat is haar lievelingsvis om op te eten? Wat is haar lievelingsvis om naar te snorkelen?

Hij antwoordt op geen enkele vraag, hij slaat mij
In de balie van het hotel zegt hij: ‘Ik voorspel
Dat je kinderloos en zelfdestructief zal blijven. Ik zie je vallen uit een appelboom.
Je bent een dief, niemand houdt van jou, zelfs je bastaardhond weigert te kwispelen
Wanneer je thuiskomt van een of andere heilloze orgie of literaire lezing.’
En plotsklaps ben ik voorgoed genezen van zijn dochter.

Michael van W. – Ester Naomi Perquin

Wat ze ook willen, die dolle honden in mijn kop hebben altijd honger,
altijd dorst. Niet over praten. Het daglicht weet ze te verjagen,
voor even – maar zodra ik ga liggen begint het gedonder,
ze krabben me steeds uit mijn slaap, piepend om teven
of vlees, willen naar buiten gelaten.

Hoe noemt u dat? Bestaat er een woord voor de man die ik word
als ik me, buiten bereik, aan een straatkat vergrijp, kunt u
dat vatten met gekte of moord, lijnt mij dat aan? Ze luisteren niet.
Ze draaien, ze dreigen – ik ken ze bij naam, hun vlekken

en happende kaken – maar hier wil ik niet over praten, niet nu
het licht is. Niet bang zijn. Hier voel ik me veilig. Weet u
dat er een boek bestaat met dezelfde naam?

Voorop staat een man en zijn mond, zijn bek – je ziet
dat hij gromt, zijn tanden ontbloot en achter hem
de volle maan, precies zo schijnheilig.

Zoals hij, behaard als een hond – zo zou ik het doen als ik kon.
Op hem zou ik lijken. Dit dolle dat mij drijft dan
buitenkant, dit hongerige aan te wijzen.

Mijn zoon – Anna Enquist

Mijn zoon stormt door het huis,
een roffel op de trap. Hij is
zichzelf een motor. Het lied
dat in hem leeft ontsnapt hem
soms. Ik hoor hem zingen
op de gang en zwijg.

’s Nachts is hij bang, hij twijfelt
aan zichzelf, aan ons, de wereld.
Ik neem hem in mijn arm
en zonder spreken vaag ik
de oorlog weg en kinderkanker,
mijn eigen dood, het monster van de tijd.

Ik lieg hem voor en red hem
tot wij beiden slapen in gestolen veiligheid.