Aan een boom in het Vondelpark – Vasalis

Er is een boom geveld met lange groene lokken.
Hij zuchtte ruisend als een kind
terwijl hij viel, nog vol van zomerwind.
Ik heb de kar gezien, die hem heeft weggetrokken.

O, als een jonge man, als Hector aan de zegewagen,
met slepend haar en met de geur van jeugd
stromende uit zijn schone wonden,
het jonge hoofd nog ongeschonden,
De trotse romp nog onverslagen.

De Geschiedenis van den Duimzuiger – Heinrich Hoffmann

Laatst zei zijn’ moeder tot Reinier,
‘Ik moet eens uit, en gij blijft hier;
Wees nu gehoorzaam, stil en zoet,
Totdat ik straks u wêer ontmoet,
Maar steek vooral uw’ duim niet wêer
In uwen mond, gelijk weleer.
Dan komt de klêerenmaker hier,
En knipt u met zijn schaar, Reinier!
Tot uwe welverdiende straf,
Van elke hand het duimpjen af.’
“De Geschiedenis van den Duimzuiger – Heinrich Hoffmann” verder lezen

De moeder de vrouw – Martinus Nijhoff

Ik ging naar Bommel om de brug te zien.
Ik zag de nieuwe brug. Twee overzijden
die elkaar vroeger schenen te vermijden,
worden weer buren. Een minuut of tien
dat ik daar lag, in ’t gras, mijn thee gedronken
mijn hoofd vol van het landschap wijd en zijd-
laat mij daar midden uit de oneindigheid
een stem vernemen dat mijn oren klonken.
“De moeder de vrouw – Martinus Nijhoff” verder lezen