Februarizon – Paul Rodenko

Weer gaat de wereld als een meisjeskamer open
het straatgebeuren zeilt uit witte verten aan
arbeiders bouwen met aluinen handen aan
een raamloos huis van trappen en piano’s.
De populieren werpen met een schoolse nijging
elkaar een bal vol vogelstemmen toe
en héél hoog schildert een onzichtbaar vliegtuig
helblauwe bloemen op helblauwe zijde.

De zon speelt aan mijn voeten als een ernstig kind.
Ik draag het donzen masker van de eerste lentewind

Misverstand 3 – Charles Ducal

Mijn vrouw is getrouwd met een dichter,
al had zij de zaak heel anders gepland.
Zij dacht aan een vader, een minnaar, een man.
Hij schrijft. Verder zijn er geen plichten.

En zelden is meer dan zijn lijf in bed,
mager en bleek in zijn eenzaam verlangen.
Soms staat hij op om een woord te vervangen,
verandert ‘geliefde’ b.v. in ‘slet’;

en likt zich de lippen, zelfvoldaan.
In gemeenschap wordt niets ondernomen.
Wel mompelt de vrouw af en toe in haar dromen,
ontregelde praat, door geen mens te verstaan.

Bron en analyse: Meander, Inge Boulonois

De laatste bevindingen – Rutger Kopland

Er waren zoals we dachten te weten twee werelden –
de echte en die andere

dit onderscheid is onlangs bij nader onderzoek
een overbodige illusie gebleken: deskundigen
hebben in menselijke hersenen gezocht
en geen verschillen gehoord of gezien

integendeel, wat zij vonden was met geen pen
te beschrijven, zo ongelooflijk eenvoudig
zo mooi

zij noteerden:

‘De nacht viel in de ramen van ons instituut,
maanlicht streek over de jonge borsten
van onze vrouwelijke proefpersoon

en ja, de door haar hersencellen aangedreven apparaten
zuchtten en in onze microscopen zagen we
in haar moleculen melkwegen van verlangen.

Wij zoeken nog koortsachtig naar formules.’

Aldus enkele opgetogen, onbedoeld lyrische citaten
uit hun verslag

Bron en analyse: http://klassiekegedichten.net/archief/klas195.html

Afscheid van mijn lichaam – Menno Wigman

Waarom, mijn lichaam, was je mij zo weinig waard?
Waarom bleef ik zo koppig tronen in mijn hoofd
en woonde ik mezelf zo hevig uit?

O ja, ik hield van wijn, van zwaar doorrookte feesten,
lucide katers en oneindig gulle lakens.
Zo leefde ik verlicht mijn tijd aan stukken.

Nu lig ik op een zaal, mijn hart, die logge spier,
verlaat me, laf als een gedicht laat het me staan
en voor het eind van deze avond zakt de dood
mijn longen in.

De zon was mij nooit opgevallen als hij niet
steeds onderging. Geen lucht, geen flonkering, geen hoop.
Waarom, mijn lichaam, heb ik nooit in je geloofd?

Boedapest – Hans Tentije

Zo’n late namiddag, licht van mist
en druilerig onder de bomen –

haar hand raakt wanneer zij afdaalt naar de rivier
de leuning niet, maar terloops toch
een enkel blad van de zich rond de spijlen
slingerende, welige klimop

misschien neuriet zij ondertussen iets
als Trauriger Sonntag, dat zigeunerstrijkjes vandaag de dag
dikwijls spelen in restaurants
aan de overkant en ruikt de tamme kastanjes
die gepoft worden in de buurt
van de Margarethabrug naar Pest

stilte omgeeft de lanen, de kaden, alsof het innigste
zich met een waas van verlangen
heeft verweven, met bruidssluier, deze
voile van verlatenheid

en waar het water snel en ongeneeslijk flets voorbijstroomt
treedt zij je tegemoet, maak haar haren los
en balanceert op één voet dan om een enkelbandje
te verschikken voor zij haar wandeling
voortzet en daarna al gauw opgaat in het wit –

het besmettelijkste wit dat er is

De stad herboren – Anna Enquist

Liggend ontwerpt hij het stadsdak, prent
het patroon van bladloze takken tegen fel
blauw in zijn brein, dat bloemkooltje, leeg

nog en klein. Waakzaam ontvangt hij licht
en lawaai, zonder oordeel. Honden, motoren,
een boor. Ik duw zijn wagen en merk hoe hij

schift, niet meer schrikt, scheidt wat hem boeit
en wat niet. Hij verovert de woorden, hij groeit
en zit voor op mijn fiets. Hij vult zijn stad in

met herrie en troep, wil stil bij de vuilnis,
de veegwagen, roept de lantaarns aan,
verstomt bij de rijzende brug, wacht verheugd.

In anderhalf jaar ben ik om, heb ik hekel
en haat laten gaan, is er dankzij zijn geestdrift
een heldere lusthof ontstaan. In het park

gaan wij liggen op doodmoe gras, in de verte
murmelt de stad. We kijken tevreden omhoog,
hij en ik, door de takken van de plataan.

Spring naar toolbar