De stad herboren – Anna Enquist

Liggend ontwerpt hij het stadsdak, prent
het patroon van bladloze takken tegen fel
blauw in zijn brein, dat bloemkooltje, leeg

nog en klein. Waakzaam ontvangt hij licht
en lawaai, zonder oordeel. Honden, motoren,
een boor. Ik duw zijn wagen en merk hoe hij

schift, niet meer schrikt, scheidt wat hem boeit
en wat niet. Hij verovert de woorden, hij groeit
en zit voor op mijn fiets. Hij vult zijn stad in

met herrie en troep, wil stil bij de vuilnis,
de veegwagen, roept de lantaarns aan,
verstomt bij de rijzende brug, wacht verheugd.

In anderhalf jaar ben ik om, heb ik hekel
en haat laten gaan, is er dankzij zijn geestdrift
een heldere lusthof ontstaan. In het park

gaan wij liggen op doodmoe gras, in de verte
murmelt de stad. We kijken tevreden omhoog,
hij en ik, door de takken van de plataan.

Zijn kikkers de kanaries – K. Michel

Niet alleen in vervuilde gebieden
maar ook in reservaten als Yosemite Park
sterven wereldwijd de kikkers uit

Komt het door het gat in de ozonlaag
Zijn het de pesticiden in de atmosfeer

Kikkers hebben een doorlaatbare huid
en bij verslechtering van water en lucht
behoren zij tot de eerst verdwijnende dieren

(Boven torenflats zie ik een vliegtuig
een lont achter zich aan trekken die sloom
opbrandt in de roestende avondhemel

en ik ruik de sloot van het Leijpark
dertig jaar geleden, het parelende dril
tussen mijn vingers, de bruinige geur
van de dikkopjes gevangen met Ivo
in de zinken teil achter in de tuin)

In de bar en de wandelgangen van dit eerste
wereldcongres vragen deskundigen zich af
zijn kikkers de kanaries in onze kolenmijn

Veteranenverzet – Jan Baeke

Alles afgeblaft in Camp Rhino, gram gehaald
de rest in pillen teruggedraaid, flash in de film.
De jonge veteraan had het nakijken, werd gebraden.
Stond in de kantinetafels gekrast what the F*
r u doing here? De meesten hadden geen maag
meer heel. Later de bermen opgeblazen.

Naar de herdenking, een dichtgesneeuwde weg
en takkenweer boven de opgefokte steden.
Overal speech en medailles. Frank was een flikker
maar niet bang. We hebben het allemaal voor iets
gedaan maar niemand dacht dat dit het moest zijn.

Het centrum zo benauwd als die snikhete baggerput.
We stonden daar weken. Noemden hem Charlie
als hij Charlie heette en Fatzo omdat de tyfus
hem had uitgebeend. Zelfs toen de zon weer opkwam
hielden we onze vuisten gesloten, al het bloed
uit onze knokkels geperst. Bij het oversteken snel
bewegen, maar altijd in dezelfde lijn. Tellen
want de knal komt altijd op de derde. Zekerheid.
Vertel het de kinderen voor ze aan hun eigen angst
toekomen.

Veld – Ruth Lasters

Misschien is voetbal écht het enige doel,
ook van het onderbewustzijn en het bewuste: twee delen

enkel en alleen omdat een match twee ploegen
vereist. Ooit stelt de helft van je neuronen bewust voor

een bal, zo groot en zwaar als het hoofd zelf, waarin
groeit buiten jezelf om de geurherinnering van

pasgemaaid gras: het veld. Eerst wint de bal, zie je hem
haarscherp voor je, tot op de stiksels van je lederen

schedel. Dan scoort de onbewuste grasgewaarwording, vult
kruidig groen je brein tot het haast knapt en slechts

het kriebelen van een laken langs je wang al veroorzaakt
een resettende, alles opnieuw mogelijk makende

aftrap

Hier – Joost Zwagerman

Al met al stelt de schepping
niet zo heel veel voor.

Een uit Gods hand gevallen
ansichtkaart, een onnauwkeurig schilderij,
een onduidelijk beduimeld formulier,
meer is de schepping niet.

Waarom dan toch naar sterren reiken,
waarom graaft in miljoenen tuinen
één en dezelfde mol zich naar omhoog?
Zo mompel ik en mompelt met mij

heel de mensheid, zonder oog voor
portokosten, textuur van verf,
de duimafdrukken op het formulier.

De schepping is al tijden door
God in de steek gelaten, bestaat
niet meer, hooguit nog hier

Contact – Joost Zwagerman

Iemand belt mij telkens op, zegt niets,
vaag hoor ik een ademhaling zweven,
het kan de mijne zijn, maar ook die
van de ander, die hardnekkig zwijgt.
Ik leg weer op. Ben nu een man
die vreemde telefoontjes krijgt.

De display toont een nummer
met de code van een land dat ik niet ken.
Ik toets dat nummer, een voice mail klinkt.
‘Hallo met God, Ik ben er niet.
Laat naam noch boodschap achter,
Ik bel nooit terug. Leef rustig verder,
wacht desnoods tot piep, maar zwijg.’

Prompt word ik door de beller toch teruggebeld.
Weer hoor ik niets, hooguit die vage adem.
Ik ben de man die stil zijn hartslag telt.

Ooit bel ik Hem terug en zeg dan
wél iets na de piep. Dat doe ik niet meteen.
Ik wacht tot ik een geheim nummer krijg.

Die dag is nu, het contact is hier. Ik toets
Zijn nummer in. Krijg geen gehoor. Hij was me
voor. Hij heeft mijn nummer ingesteld

Gelovig soms – Jan Elburg

Prijs de dag voor het avond is
voor je gouden verloofde het uitmaakt
voor het donkere deksel het donker maakt

prijs de dag en vertel voor het avond is
hoe het was wat er was dat het goed was
vertel het nog half gelovige oren

prijs de dag prijs de rotzooi
van ronkend blik het lawaai en de schrik
prijs de wind om de lekkende vuilniszak
prijs het licht op de stront de lonk van de lelijke
vrouw en de lik van de hond zonder haar prijs
de lucht van heet asfalt van zweet van patat

prijs een godganselijk godvergeten
goed lullig niet te vervangen leven
voor je leuterend strompelend uitgejoeld afgaat

prijs het
terwijl de nacht nadert
de duim nadrukkelijk je strot nadert

Bron en analyse: http://klassiekegedichten.net/archief/klas060.html

De danser op de kade – F. Starik

Dagelijks denk ik aan de man
hier in de buurt die als de brug geopend was
wild begon te dansen
langs de Kostverlorenvaart
en met zijn dans de schepen begeleidde
die zand naar IJburg brachten

hij sliep in een verloren hoekje
naast het skatepark en het hondenveld
in de beschutting van het elektriciteitshuisje
onder een struik en zijn matras
was altijd van urine nat

en sommige baasjes
ruimen de drollen niet op
om goed duidelijk te maken
dat ze schijt aan je hebben
dat het smerig is om buiten te slapen

en mijn man woonde daar
sliep in een klein hoekje
tussen verachting en respect
en nu is hij weg maar

hij danst voort in mijn gedachten.

In ’t zicht van stromend water – Willem Wilmink

Ik stierf van dorst in ’t zicht van stromend water
en dronk daarna te veel in de woestijn.
Dat was het einde, het begin kwam later.
Soms kort de tijd de afstand tot die pijn,
maar dan kan ik in treurnis vrolijk zijn,
zoals in ’t najaar ’t voorjaar herbegint,
bij ’t ouder worden jonger dan als kind.

Ik stel geen prijs op wat wordt aangeprezen,
ik stel mij pas echt open als ik dicht,
hoe meer ik lees, hoe meer ik nog moet lezen,
al wat ik nader raakt steeds meer uit zicht,
hoe dichterbij, hoe verder weg het ligt,
ik zoek altijd wat anders dan ik vind,
bij ’t ouder worden jonger dan als kind.

Ik kan niet ernstig zijn dan door te spelen,
ik spreek de waarheid als ik me vergis,
niet bang alleen, maar eenzaam tussen velen,
vol doodsgedachten als er bruiloft is,
vol levensvreugde bij een dodenmis
en een verliezer ziende in wie wint,
bij ’t ouder worden jonger dan als kind.

Prins, wat ik dicht, is als een oud verhaal,
dat nieuwer wordt, hoe meer ik het herhaal.
Ik ben de man die nooit iets nieuws verzint,
bij ’t ouder worden jonger dan als kind.

Spring naar toolbar