Onbereikbare nimf in Marseille – Delphine Lecompte

We hebben dezelfde leeftijd
Maar ons uiterlijk ligt op verschillende polen
Je bent bruin en je hebt wimpers die mannen gelijk geven
Je ziet mij niet, je aanbidders zien mij nog minder
Ze weten niet dat ik zou afwerken waar jij je neus voor ophaalt.

Jouw neus wip, de mijne havik
Ik woon in Brugge, jij woont in de gouden kooi van je rijke vader
Hij is mooier dan zijn vrouw; je vader
Zijn honden zijn Ierse setters met een stamboom
Zijn beroep is speculaas, zijn hobby is speculatie.

Ik verleid je vader na een karaokeavond
Hij zong een liedje van Robert Palmer, ik zong niets
Een compliment over zijn zangkwaliteiten is genoeg
Om hem voor mij te winnen, het hotel heet vreemd ‘Sous les limaces’
De lakens ruiken naar ontstoken geitenoren, en in de badkuip ligt een besmeurde mijter.

Ik denk dat ik de seks drie decennia zal onthouden
Maar ik weet nog niet of ik wel 44 jaar wil worden
Na de seks stel ik de speculaasfabrikant gulzige vragen over zijn dochter:
Waar ligt haar grilligste geboortevlek? Naar welke ontdekkingsreiziger kijkt ze op?
Welk dier was ze in haar vorige leven? Wanneer verloor ze haar amandelen?
Wat is haar lievelingsvis om op te eten? Wat is haar lievelingsvis om naar te snorkelen?

Hij antwoordt op geen enkele vraag, hij slaat mij
In de balie van het hotel zegt hij: ‘Ik voorspel
Dat je kinderloos en zelfdestructief zal blijven. Ik zie je vallen uit een appelboom.
Je bent een dief, niemand houdt van jou, zelfs je bastaardhond weigert te kwispelen
Wanneer je thuiskomt van een of andere heilloze orgie of literaire lezing.’
En plotsklaps ben ik voorgoed genezen van zijn dochter.

Michael van W. – Ester Naomi Perquin

Wat ze ook willen, die dolle honden in mijn kop hebben altijd honger,
altijd dorst. Niet over praten. Het daglicht weet ze te verjagen,
voor even – maar zodra ik ga liggen begint het gedonder,
ze krabben me steeds uit mijn slaap, piepend om teven
of vlees, willen naar buiten gelaten.

Hoe noemt u dat? Bestaat er een woord voor de man die ik word
als ik me, buiten bereik, aan een straatkat vergrijp, kunt u
dat vatten met gekte of moord, lijnt mij dat aan? Ze luisteren niet.
Ze draaien, ze dreigen – ik ken ze bij naam, hun vlekken

en happende kaken – maar hier wil ik niet over praten, niet nu
het licht is. Niet bang zijn. Hier voel ik me veilig. Weet u
dat er een boek bestaat met dezelfde naam?

Voorop staat een man en zijn mond, zijn bek – je ziet
dat hij gromt, zijn tanden ontbloot en achter hem
de volle maan, precies zo schijnheilig.

Zoals hij, behaard als een hond – zo zou ik het doen als ik kon.
Op hem zou ik lijken. Dit dolle dat mij drijft dan
buitenkant, dit hongerige aan te wijzen.

Mijn zoon – Anna Enquist

Mijn zoon stormt door het huis,
een roffel op de trap. Hij is
zichzelf een motor. Het lied
dat in hem leeft ontsnapt hem
soms. Ik hoor hem zingen
op de gang en zwijg.

’s Nachts is hij bang, hij twijfelt
aan zichzelf, aan ons, de wereld.
Ik neem hem in mijn arm
en zonder spreken vaag ik
de oorlog weg en kinderkanker,
mijn eigen dood, het monster van de tijd.

Ik lieg hem voor en red hem
tot wij beiden slapen in gestolen veiligheid.

Voor een dag van morgen – Hans Andreus

Wanneer ik morgen doodga,
vertel dan aan de bomen
hoeveel ik van je hield.
Vertel het aan de wind,
die in de bomen klimt
of uit de takken valt,
hoeveel ik van je hield.
Vertel het aan een kind,
dat jong genoeg is om het te begrijpen.
Vertel het aan een dier,
misschien alleen door het aan te kijken.
Vertel het aan de huizen van steen,
vertel het aan de stad,
hoe lief ik je had.

Maar zeg het aan geen mens.
Ze zouden je niet geloven.
Ze zouden niet willen geloven dat
alleen maar een man alleen maar een vrouw,
dat een mens een mens zo liefhad
als ik jou.

De blauwbilgorgel – Cees Buddingh

Ik ben de blauwbilgorgel,
Mijn vader was een porgel,
Mijn moeder was een porulan,
Daar komen vreemde kind’ren van.
Raban! Raban! Raban!

Ik ben een blauwbilgorgel
Ik lust alleen maar korgel,
Behalve als de nachtuil krijst,
Dan eet ik riep en rimmelrijst.
Rabijst! Rabijst! Rabijst!

Ik ben een blauwbilgorgel,
Als ik niet wok of worgel,
Dan lig ik languit in de zon
En knoester met mijn knezidon.
Rabon! Rabon! Rabon!

Ik ben een blauwbilgorgel
Eens sterf ik aan de schorgel,
En schrompel als een kriks ineen
En word een blauwe kiezelsteen.
Ga heen! Ga heen! Ga heen

Verloop van jaren – Remco Campert

Zo bleek zo moe zo smalletjes
zo opgegeven
niet meer willen leven
ligt ze in haar sterfbed
moeder van mijn kinderen
pijn strijdt zijn gevecht
tegen haar laatste ademtocht
even lichten haar ogen fel op
in verzet tegen het leven
dat ik eenmaal op straat
daarentegen omhels
zelfs de fietser die me op een haar
na aanrijdt
wens ik veel geluk

Men moet – Toon Tellegen

Men moet altijd enigszins verdrietig zijn,
anders is men verloren,

maar men moet wel een beetje verloren zijn –
van het reddeloze soort –
anders zou men alleen maar gelukkig zijn,

toch moet men ook gelukkig zijn,
zo maar gelukkig kunnen zijn,
in alle staten van geluk,

anders zou men maar verdrietig zijn,
enigszins verdrietig
altijd.

De tuinman en de dood – P.N. van Eyck

Een Perzisch Edelman:

Van morgen ijlt mijn tuinman, wit van schrik,
Mijn woning in: “Heer, Heer, één ogenblik!

Ginds, in de rooshof, snoeide ik loot na loot,
Toen keek ik achter mij. Daar stond de Dood.

Ik schrok, en haastte mij langs de andere kant,
Maar zag nog juist de dreiging van zijn hand.

Meester, uw paard, en laat mij spoorslags gaan,
Voor de avond nog bereik ik Ispahaan!” –

\Van middag (lang reeds was hij heengespoed)
Heb ik in ’t cederpark de Dood ontmoet.

“Waarom,” zo vraag ik, want hij wacht en zwijgt,
“Hebt gij van morgen vroeg mijn knecht gedreigd?”

Glimlachend antwoordt hij: “Geen dreiging was ‘t,
Waarvoor uw tuinman vlood. Ik was verrast,

Toen ‘k ’s morgens hier nog stil aan ’t werk zag staan,
Die ‘k ’s avonds halen moest in Ispahaan.”

De Dapperstraat – J.C. Bloem

Natuur is voor tevredenen of legen.
En dan: wat is natuur nog in dit land?
Een stukje bos, ter grootte van een krant,
Een heuvel met wat villaatjes ertegen.

Geef mij de grauwe, stedelijke wegen,
De in kaden vastgeklonken waterkant,
De wolken, nooit zo schoon dan als ze, omrand
Door zolderramen, langs de lucht bewegen.

Alles is veel voor wie niet veel verwacht.
Het leven houdt zijn wonderen verborgen
Tot het ze, opeens, toont in hun hoge staat.

Dit heb ik bij mijzelve overdacht,
Verregend, op een miezerige morgen,
Domweg gelukkig, in de Dapperstraat.

Spring naar toolbar