Hard tegen hard – Menno Wigman

We waren niet begaan met wat er stierf.
Een trage stoet, een laatste groet:
het deed ons niets. We waren jong
en hoonden het misbaar van bloemen
en verklede mussen, we liepen door
en leefden onze tijd aan stukken.

Lees verder

0

Binnenbrand – Menno Wigman

Beelden, beelden, zo helder en geheim
dat ik op slag verstijfde – elke boom,
het hele bos keek mee. Ik schrok niet eens,
ik viel meteen twee dijen in toen ik
het vond. Pas later kreeg het een verhaal.

Lees verder

0

Bij de gemeentekist van mevrouw P. – Menno Wigman

Slaapt ze? Ze slaapt. Na drieëntachtig jaar,
driehonderdvijfenzestig keer per jaar.
haar haar gekamd te hebben, op ik weet niet hoeveel
schoenen door de stad te zijn gelopen,
steeds maar weer die veters, vorken, lepels,
mensen, wat voor mensen, waar dan, slaapt ze.

Lees verder

0

Dit is mijn dag – Menno Wigman

Vanochtend werd ik wakker in een droom
van iemand die een huid van vlees bewoont.

Ik kon niet vluchten, ik was geen Tsjwang Tse
die had gedroomd dat hij een vlinder was

Lees verder

+1

Tot de bodem – Menno Wigman

Een kroeg bezoeken en naar glazen grijpen,
je geest, een luchtballon, van zandzakken bevrijden,
steeds hoger stijgen en blijmoedig verder hijsen,
de hoogste tijd, een nieuwe kroeg, je geld, je jas,
zo dweil je door de koude voorjaarsnacht en pist,
je bent een man of niet, schuimkringen in de gracht.

Lees verder

0

Nachtrust – Menno Wigman

Avond. Twee tuinen verder woedt het voorjaar 
    en sluipen kapers door het donker.
Ergens vechten nagels om een vacht. Gekrijs 
    om kruimels liefde. Stukgebeten oren.
De krolse oorlog van een voorjaarsnacht.

Lees verder

0

Kamer 421 – Menno Wigman

Mijn moeder gaat kapot. Ze heeft een hok,
nog net geen kist, waar ze haar stoel bepist
en steeds dezelfde dag uitzit. Uitzicht
op bomen heeft ze, in die bomen vogels                 
en geen daarvan die zijn verwekker kent.

Lees verder

0

Menno Wigman

Menno Wigman (Beverwijk, 10 oktober 1966 – Amsterdam, 1 februari 2018) was een Nederlands dichter, bloemlezer en vertaler.

Wigman groeide op in Santpoort. Op het Gymnasium Felisenum in Velsen-Zuid kreeg hij, door het enthousiasme van zijn leraar Nederlands Lex ter Braak, belangstelling voor poëzie. Hij debuteerde jong: in 1985 verscheen Two poems, een door zijn leraar Oude talen, Willem Kramer, in kleine oplage gedrukt boekje met een linosnede van Lex ter Braak. Bij dezelfde marge-drukker, onder de naam Mercator Pers, zouden in de loop der jaren nog een zestal uitgaven verschijnen.

In 1984 verhuisde Wigman naar Amsterdam om Nederlands te studeren. In deze jaren publiceerde hij ook een dichtbundel in eigen beheer en gaf hij een literair eenmanstijdschrift uit, dat hij volschreef onder decadente pseudoniemen als Guillaume de Bazelaire en Arthur von Salis. Als bijbaantje werkte hij bij een hoofdstedelijk antiquariaat. Zijn scriptie gaat over de jonggestorven dichter Nico Slothouwer.

Zijn officiële debuut verscheen in 1997 onder de titel ’s Zomers stinken alle steden. De bundel werd goed ontvangen en spoedig herdrukt. Vijf jaar later verscheen Zwart als kaviaar, waarvoor hij de Jan Campert-prijs kreeg. De eveneens herdrukte bundel Dit is mijn dag verscheen in 2004. In 2005 verbleef Wigman drie maanden als poet in residence in de psychiatrische instelling Willem Arntsz Hoeve in Den Dolder, waar hij een dagboek bijhield dat in 2006 gepubliceerd werd, bijzonder vormgegeven door Tessa van der Waals. De neerslag van dat verblijf is eveneens te vinden in de Gedichtendagbundel De wereld bij avond. In maart 2009 verscheen De droefenis van copyrettes, een keuze uit zijn eigen werk. In januari 2012 verscheen Mijn naam is Legioen, welke bundel goede kritieken kreeg en binnen een maand tweemaal werd herdrukt. Op 26 januari volgde zijn benoeming voor twee jaar tot stadsdichter van Amsterdam. Werk van hem werd vertaald in onder andere het Engels, Duits en Frans.

Wigman was redacteur van het literaire tijdschrift Zoetermeer, en was ook verbonden aan het tijdschrift Inkt! en de literaire bladen Awater en Kinbote. Hij vertaalde gedichten van Baudelaire, Thomas Bernhard, Else Lasker-Schüler en Rilke, en proza van Leopold Andrian en Gérard de Nerval.

In het werk van Menno Wigman was de dood vaak prominent aanwezig. Wigman behoorde vrijwel vanaf het begin tot de Amsterdamse afdeling van De Eenzame Uitvaart: dichters die een gedicht voorlezen op begrafenissen van mensen zonder familie of vrienden. Sommige van die gedichten belandden, al dan niet in bewerkte vorm, in zijn bundels, maar niet allemaal.

In 2014 kreeg hij te maken met ernstige gezondheidsproblemen. Zijn hart bleek beschadigd, waarschijnlijk door een reactie op een allergie in zijn jeugd. Wigman stierf in 2018 op 51-jarige leeftijd in het VU medisch centrum in Amsterdam. Postuum werd hem de Ida Gerhardt Poëzieprijs toegekend. De jury beschouwde zijn bundel Slordig met geluk als zijn ‘beste bundel ooit, zijn zwanenzang’. In 2019 verschenen zijn Verzamelde gedichten, samengesteld door Neeltje Maria Min en Rob Schouten.

Meer op Koninklijke Bibliotheek
Meer op DBNL
Meer op Wikipedia

0