Als je een landschap was waar ik doorheen kon lopen – Vasalis

Als je een landschap was waar ik doorheen kon lopen,
stil staan en kijken met mijn ogen open
en languit op de harde grond gaan liggen,
er mijn gezicht op drukken en niets zeggen.
Maar ’t meeste lijk je op de grote lucht erboven,
waar ruimte is voor buien licht en donkre wolken
en op de vrije wind daartussen,
die in mijn haren woelt en mijn gezicht met kussen
bedekt, zonder te vragen, zonder te beloven.

Moeder – Vasalis

Er was niets, dacht ik altijd, denk ik nog,
dat je niet kon. Heel mooie pakjes maken
ritselend met bruin papier –
de stroeve jampot opendoen, wonden verbinden
gireren, condoleancebrieven schrijven,
voorlezen, spreken in vijf talen, bijna
verdronken honden uit het water halen
levendig luisteren naar langdradige verhalen.
Maar bij het einde van het lied zei je:
ik kan het niet, liefje, ik kan het niet.
En je bedoelde doodgaan. Uren door het mulle zand
gestrompeld, houvast zoekend met je hand.
Ook dat heb je tenslotte gekund,
beminde. En aan het strand zal ik je later vinden.
Laat me je vinden. Je kan het toch?

Drank, de onberekenbare – Vasalis

Onder ’t net en vlot gesprek,
dat mijn hoofd, met bruine hoed
met de gastheer voeren moet,
denkt mijn hele ziel: verrek!
In mijn binnenst stampen beesten,
snuiven paarden, ruisen bossen,
slangen schuiflen door de mossen,
negerstammen vieren feest.
Port of sherry…liever thee?
Ja mevrouw, of eiglijk….nee.
Spiernaakt duik ik in een meer.
Graag, een halfje…o, niet meer!
Hoe kàn ik, bij God, nog praten…
Zouden ze iets aan me merken?
Kan ik niet meer tegen sterke
drank? Heb ik al rode oren?
Als we nou die kat eens schoren –
de onvervalste poedelkat –
ijsbloemen op zijn achterplat.
Niemand weet, hoe vreeslijk wild
ik met los haar loop te rennen!
Niemand zou mij hier herkennen
als ik plotsling was gevild.
Want ze kennen slechts mijn huid,
en die nog alleen bij stukken,
o ingetogen, bruine bruid
van Tahiti, of Molukken…
In de kamer wordt het donker;
buiten dwarrelt stil en schuin
sneeuw op heel licht groene struiken.
Zó mooi is het in die tuin,
dat ‘k moet staren naar het geflonker
van mijn glaasje, naast de kruiken:
àl te glinsterend stuk glas…
Plotsling huil ik…op zijn jas
zaten toen ook lichte vlokken.
Vlokken sneeuw…die werden water…
Hield hij niet meer van me, later,
dat hij zomaar is vertrokken?

 

Spring naar toolbar