De egel – C. Buddingh

Zeer honkvast, (als ik) een eenzelvig levend

schemeringdier, alleen

bij het zoeken naar voedsel (voornamelijk dierlijk) gedraagt

hij zich vrij luidruchtig; hij zwemt

indien nodig uitstekend, is ongevoelig

voor addergif, houdt van november tot maart

 

een winterslaap, werpt tussen mei en augustus
3 tot 7 jongen; in bergland
komt hij voor tot op 2000 meter. ‘De vos heeft vele
streken, de egel slechts één,
maar dat is dan ook de beste van alle,’
schreef Erasmus, natuurlijk lang voor de komst

van de auto: voor hem geen borden: let op,
overstekend wild. Wij hadden
er een in het sanatorium, overdag
sliep hij onder de hangkasten en ’s avonds
zagen wij hem soms schuifelen, op weg naar de schoteltjes
melk die wij voor hem neerzetten: een grijze

bewegende vlek op het grijs van de stenen
terrasvloer, en hoorden het gulzig
geslurp van zijn tong, tot de zusters een paar keer braaksel
ontdekten, en hij noodgedwongen
wel weg moest, nog eer wij een goede naam
voor hem konden verzinnen. Een egel mis je

niet lang, maar toch was het even vreemd
om het kwieke geritsel voortaan
kwijt te zijn. Een dag of wat tuurden wij nog in de donkere
tuin, of hij daar in het gras
rondscharrelde, maar niets. Hij moet trouwens al lang
dood zijn: ze worden hooguit tien jaar.

 

Share

Geef een reactie