Aan een ruimtevaarder – Marjolijn van Heemstra

Ik ben een cluster dode zonnen,
hard geworden overschot vol weerstand,
zelfs met maximale aanloop kaatst de lucht
mijn sprong op kniehoogte terug.
Ik drijf alleen op water en zelfs dat
maar tijdelijk, de ruimte tussen
mijn gespreide armen
vangt geen wind.

Ik ga in zoogdiergang, van zand
naar zand kom niet boven
het rumoer van vee het geroezemoes
van zee of ooghoogte. Ik moet
de satellieten maar geloven;
het kleurig stromend ozonvel,
het fijne edelstenen ei.

Ik weet van vacuum-gevaren:
het netwerk van nevels en cellen,
speldenknoppen, poorten naar het licht.
Andersom heb ik de reis al
vaak gemaakt, dit nietig sterren-
stoffenlijf uitvergroot tot lege zalen.

Maar jij hebt ontsnappingssnelheid, stapt
straks met veren voeten de explosie in,
telt jezelf tussen sterren, zwemt
in afwezigheid, ziet ons
voor de vlekken die we zijn.

Als jij met niks dan lucht op je rug,
drijft in het eerste, het wijdste moment –
wil je dan richting het duister draaien
en wil je zeggen dat ik er ben?

Op zijn ruimtemissie van 2011-’12 nam André Kuipers dit gedicht mee. Op papier, terwijl hij maar anderhalve kilo pirvébagage mee mocht nemen. ‘Aan een ruimtevaarder’ vertolkte, zei hij, zijn ‘verlangen om naar de ruimte te willen’. Kuipers heeft het op Wereldpoëziedag 2012 in de ruimte voorgedragen als ode aan de dichteres.

 

Geef een reactie