De Geschiedenis van den Duimzuiger – Heinrich Hoffmann

Laatst zei zijn’ moeder tot Reinier,
‘Ik moet eens uit, en gij blijft hier;
Wees nu gehoorzaam, stil en zoet,
Totdat ik straks u wêer ontmoet,
Maar steek vooral uw’ duim niet wêer
In uwen mond, gelijk weleer.
Dan komt de klêerenmaker hier,
En knipt u met zijn schaar, Reinier!
Tot uwe welverdiende straf,
Van elke hand het duimpjen af.’
Naauw was de moeder ’t hoekjen rond,
Of,- hap!-de duim ging in den mond.
Maar, ach!-de deur wordt losgedaan,
Daar komt de kleedermaker aan;-
Hij zwaait zijn’ schaar, O, welk een schrik!
Voor de oogen van het duimpje-lik;
O, wee! daar gaat het knip en knap,
En even als een wollen lap,
Knipt hij Reiniertjen, tot zijn’ straf,
Van elke hand het duimpjen af.

En de arme moeder komt wêerom,
Daar staat Reiniertjen bleek en stom;
Zijn’ handjes doen hem, ach! zoo zeer!
Hij heeft geen enkel duimpjen meer.
Dus, kind’ren! hoedt u voor ’t gevaar.
Denkt aan die groote, scherpe schaar!

Geef een reactie