Het zit hem in de

Zomaar een zin uit Spaar de spotvogel van Harper Lee.

“Beneden ons hielden de toeschouwers collectief hun adem in en bogen zich naar voren. Achter ons deden de negers hetzelfde”.

Tientallen keren komen vergelijkbare zinnen met “de negers” voor in dit meesterwerk. De eerste keer viel het mij nauwelijks op, de tweede keer enigszins en elke volgende keer werd het steeds opvallender. En uiteindelijk voelde het ook steeds ongemakkelijker en schrijnender.

Waarom eigenlijk?

Ik beken: ik typeer mensen ook (soms te) gemakkelijk op uiterlijkheden, het is niet anders en het heeft niet als doel of bijbedoeling om te beledigen, stigmatiseren of discrimineren. Kale, baardaap, inktvlek (iemand met een overdaad aan zichtbare tatoeages), brillenman (ben zelf brildragend, en toch), krullenbol, zijn daar voorbeelden van.

Waarom? Voorbeeld. Als je iemand moet aanduiden die deel uitmaakt van een (grote) groep helpt het niet als je die persoon omschrijft als iemand die rechtop loopt, twee benen, een neus en twee ogen heeft en andere gemene delers. Dat kan vrijwel ieder mens zijn en is dus niet onderscheidend. Uiterlijkheden kunnen dat wel zijn, onderscheidend. Dat is anders dan discriminerend of stigmatiserend.

Vermoedelijk ben ik niet de enige die zo doet en denkt. Sterker nog: ik kan mij geen mens voorstellen die dat niet doet en nooit heeft gedaan.

Neger is ook zo’n typering. Niet kwaad bedoeld. Zolang er rappers zijn die het woord (nigger) als een soort geuzennaam behandelen kun je nog denken, het kan niet veel kwaad. Maar dat kan het wel. Zeker als je er een categorie van maakt en die mensen daardoor mogelijk niet meer als individuen ziet. Dan kun je meerdere negers bij elkaar DE negers noemen en beland je op een hellend vlak.

De nazi’s begrepen dat goed. De joden, Het Jodenvraagstuk, het zijn woorden die gevaarlijk zijn omdat ze niet meer over personen gaan maar over een categorie. De, het. Mensen worden anoniem gemaakt en zijn alleen nog maar onderdeel van een categorie. Endlösung is het eindpunt van dat hellende vlak.

Harper Lee heeft dat ook goed begrepen. Door te laten zien dat een groot deel van de bevolking van Alabama in de jaren dertig mensen met een kleurtje consequent DE negers noemde. Dat het daardoor verrekte gemakkelijk werd om neerbuigend, stigmatiserend en discriminerend over hen te doen. Met alle gevolgen van dien.

Ze laat op subtiele wijze (zonder er telkens de nadruk op te leggen) zien wat het gevaar daarvan is. Alleen al daarom verdient dit boek het predicaat meesterwerk. Alleen al daarom zou het verplicht leesvoer moeten zijn voor mensen die alleen maar in hokjes kunnen denken.

 

 

Weer een bezoek aan de Leeszaal Rotterdam

Ik heb er al eerder over geschreven, over de Leeszaal in Rotterdam West. Over de sfeer en het assortiment. En hoe belangrijk het is dat het assortiment op niveau blijft, kwantitatief en kwalitatief. Wij dragen met ons drietjes ons steentje bij. Geregeld brengen wij tassen vol gekregen, gekochte, en eerder geleende boeken die kant op. Het is voor een goed doel: het laagdrempelig toegang bieden tot leesvoer aan mensen die daaraan behoefte hebben en niet (meer) terecht kunnen bij faciliteiten als een bibliotheek, wegens wegbezuinigd bijvoorbeeld.

Vandaag was weer zo’n dag. Paar tassen vol afgeleverd, maar uiteraard ook weer wat meegenomen. Minder dan wij hebben gebracht, dat wel. Het kan en het mag en is geheel gratis, maar wel met enige beperking in de aantallen. Terecht.

De aanwinsten van vandaag:
Uwe Tellkamp – De toren
Jaume Cabré – De stemmen van de Pamano
Hanya Yanagihara – Een klein leven
Juan Gabriel Vasquez – De informanten
Thomas Glavinic – Nachtwerk
Thomas Pynchon – Gravity of rainbows
Paul Auster – Orakelnacht
Delphine de Vigan – Niets weerstaat de nacht

De lezers in ons gezinnetje kunnen er weer even tegen met deze prachtige boeken. Stuk voor stuk titels waar ik heel nieuwsgierig naar ben. En ik heb er nog heel wat gezien die ook de moeite waard zijn, maar wij hebben ons aan de spelregels gehouden en wellicht komen die een volgende keer aan de beurt.

Tip en verzoekje: woon je in de buurt of ben je zomaar een dagje in Rotterdam, bezoek de Leeszaal gewoon eens. De sfeer is heerlijk ontspannen en iedere lezer komt aan zijn trekken gezien het brede en diepe assortiment.
Maar breng er vooral ook boeken. Je maakt er mensen gelukkig mee, en gezien de aantallen boeken die worden gehaald / geleend is de (lees)honger bijna onstilbaar.

 

Gemiste kans?!

Er worden in Nederland en Vlaanderen veel thrillers in vertaling uitgebracht. Het Engelse taalgebied is bijzonder populair en ook uit Scandinavie worden veel, heel veel thrillers in vertaling uitgebracht. Andere landen en talen komen er relatief bekaaid van af.

Neem het Duitse taalgebied. We kennen Duitsland als het om thrillers gaat vooral van wat (oubollige) televisieseries als Derrick en Tatort. Maar als het om naar Nederlands vertaalde boeken gaat is de spoeling vrij dun. Te dun.
Neem een zekere Wolfgang Schorlau. Wereldberoemd in Duitsland, winnaar van verschillende prijzen en in Nederland nauwelijks bekend. Zijn serie over Georg Dengler telt inmiddels acht delen, en wordt geprezen door velen.

Op vertaling heb ik maar niet gewacht, ik heb de hoop opgegeven. Het eerste deel, Die blaue Liste, heb ik inmiddels in het Duits gelezen, en ik kan op basis hiervan alleen maar concluderen dat de loftuitingen aan zijn adres terecht zijn.
Goed geschreven, rustig, aangenaam tempo, goede uitwerking van karakters, mooie sfeertekening, sterk plot dat gebaseerd is op ware gebeurtenissen: de moord op een topindustrieel, een vliegtuig dat neergestort is na sabotage, de ontmanteling van de industrie van de DDR (Treuhandanstalt). Een factionthriller van de bovenste plank, één waarbij je ook nog wat kennis opdoet. Altijd meegenomen.

Waarom zijn werk niet in het Nederlands is vertaald? Geen idee. Terwijl er heel wat matige boeken wel worden vertaald, ook van geheel uitgemolken series, is Wolfgang Schorlau blijkbaar aan de aandacht ontglipt.

Ik vind dat jammer en noem dat een gemiste kans.

Stijve boeken

Er zijn vele argumenten voor en tegen het lezen van boeken op papier dan wel op de e-reader. Een argument dat de laatste tijd voor mij steeds zwaarder gaat tellen is de stijfheid van boeken.

Niet de tekst, maar de manier waarop het is ingebonden. Of het een trend is durf ik nog niet te zeggen, maar de laatste tijd kom ik geregeld in aanraking met boeken die zo stijf zijn ingebonden dat ze nauwelijks te lezen zijn zonder flinke schade aan de rug aan te brengen. Dat zijn vooral paperbacks.
Ik merk dat ik boeken waarbij ik beiden handen moet gebruiken om ze te kunnen lezen voortijdig wegleg.

Wat de redenen zijn om een boek zo op de markt te zetten weet ik niet, maar bevorderlijk voor het leesplezier is het allerminst. Daarvan heb je met een boek op een e-reader in ieder geval geen last.

Grensbewaking nodig in thrillerland?

Opeens werd het mij gisterenavond te veel. We zagen een recente film van Beck. Terwijl deze films zich vroeger vooral beperkten tot de klassieke elementen van thrillers (misdaad, dader, speurder(s), motief) werden er nu dingen in de film verweven die daarmee helemaal niets van doen hadden. Scheidingsperikelen van twee bijrolspelers en familieproblemen van de opvolger van Gunvald Larsson. Het irriteerde mij, nu ook al hier. Dat heb toch helemaal niet nodig mijnheer?

Met vervagende grenzen in boeken heb ik geen moeite, integendeel. Kruisbestuiving kan resulteren in verbeterde kwaliteit. Maar zeker als het om thrillers gaat heb ik liever dat de bijzaken niet te belangrijk worden, het moeten bijzaken blijven en ondergeschikt blijven aan de plot.

Ik denk dat ik mijn punt het beste kan maken door voorbeelden te geven. Let wel, dit is mijn mening,volkomen subjectief dus.

Voorbeelden van hoe het wel moet en kan.

  • Arnaldur Indridason: De hoofdpersoon Erlendur is een tobberige man. Prachtig personage, interessante speurder, maar wel met een trauma. Hij voelt zich, al dan niet terecht, verantwoordelijk voor de dood van zijn jongere broertje, een voorval uit zijn jeugd. Het voert nooit de boventoon, maar je krijgt wel meer begrip voor zijn gemoedstoestand.
  • Lee Child. Tikje voorspelbaar, je weet wat je krijgt (meestal iets heel goeds), het privéleven blijft ondergeschikt, de plot is altijd belangrijker.
  • Jussi Adler-Olsen. Een beperkt aantal hoofdrolspelers. Carl Mørck heeft wel wat te verduren maar het blijft een bijzaak. Assad heeft een verleden waarvan je in zes delen slechts af en toe een glimp opvangt, niet meer dan dat, waardoor hij iets mysterieus houdt. Een prima balans.
  • Hakan Nesser, de Barbarotti reeks. Heus wel aandacht voor de hoofdpersoon Gunnar Barbarotti, maar altijd ondergeschikt aan de plot. Wel veel aandacht voor de psyche van misdadigers, gedetailleerde uitwerking van hun achtergronden, zodat je op die manier inzicht krijgt in de motieven, hoe bizar ze soms ook kunnen zijn.
  • Pierre Lemaitre in Drie dagen en levenslang. Hier wel heel veel aandacht voor de gedachten van de hoofdpersoon, maar hier is dat juist ijzersterk omdat de hoofdpersoon de dader is. (Geen spoiler, is al vanaf het begin bekend),

Voorbeelden van hoe het niet moet.

  • Patricia Cornwell. Het oeverloze gezever van de hoofdpersoon Kay Scarpetta overheerst alles. De thrillerplot is vooral in haar laatste werken ondergeschikt en lijkt alleen maar als handvat te worden gebruikt om dit inmiddels oervervelend geworden karakter uit te melken.
  • Het duo Börjlind. De plots zijn heel aardig, maar de balans is zoek. In hun laatste boek, Wiegelied, is er te veel aandacht voor het hoe en waarom van de zwangerschap van een hoofdrolspeelster. Het speelt geen enkele rol in de plot en kan als kiespijn worden gemist. Zoals ook het nauwelijks ter zake doende bestaan van de echtgenoot van de politiechef of de vader van de knipperlichtpartner van Tom Stilton er nauwelijks toe doen. Waarom dan die overbodige aandacht? Om een quotum pagina’s te scoren?
  • Hjorth Rosenfeldt. Sterke plots maar mijn leesplezier wordt behoorlijk vergald door de relationele problemen. De teamleden hebben in verschillende combinaties allerlei ongeloofwaardige relaties (gehad), wat begrijpelijkerwijs de arbeidsverhoudingen verstoort. Ik stel mij zo voor (van horen zeggen, want ik heb er alleen maar van gehoord) dat zoiets past in een soap als GTST, maar er is een reden dat ik dat mijd als de pest.
    En dan Bergman, het belangrijkste karakterloze karakter in de reeks. Niet relevant voor de plot, maar in elk boek zijn er wel weer wat wanhopige en eenzame vrouwen die hij in zijn bed weet te krijgen, waarna zij na bewezen diensten geacht worden op te rotten als de morsige, middelbare “adonis”  zijn demonische gedachten van zich af heeft geneukt.
    Dat er telkens weer vrouwen in tuinen zie ik (als man) haast als beledigend voor het zwakke geslacht.
  • Harlan Coben. Meestal heel sterke thrillers, grappig, gevoelig, een fraaie mix. Maar vooral in zijn laatste boeken eindigt het steevast met een tranentrekkerig eind dat vooral bedoeld lijkt om tissuefabrikanten aan omzet te helpen.

Dit zijn zo wat voorbeelden van thrillers die (soms) meer lijken op soapseries, bouquetreeksen en kasteelromannetjes of die te veel aansturen op een feelgood einde.

Ik vind dat een vervelende ontwikkeling. Die toenemende aandacht voor randzaken heeft er inmiddels toe geleid dat mijn liefde voor thrillers langzaam maar zeker aan het bekoelen is.

Aandacht voor de psyche van de misdadiger is prima, hierdoor kun je inzicht krijgen in het hoe en waarom, zonder het te hoeven begrijpen.
Maar laat de thriller verder vooral thriller blijven en laat het genre zich beperken tot misdaad, dader(s), speurder(s), motief en laat overbodige onzin en verwikkelingen achterwege.

Deze elementen zijn ruimschoots voldoende voor een rijk en gevarieerd thrillerlandschap.