Kon onze poes Nel maar praten – Willem Wilmink

In storm en regen kwam ze bij ons aan,
een in elkaar gedoken natte kat,
en ze is nooit meer bij ons weggegaan
toen ik haar koffiemelk gegeven had.

De dierenarts bekeek ons nieuwe beest.
Hij zei: ‘Ze hebben ’t in elkaar getrapt.
Haar leven is verschrikkelijk geweest.
Ze is misschien maar net op tijd ontsnapt.’

Ze woont al jaren bij ons. Ze is dik.
Ze vind het leven niet onaangenaam,
maar soms zitten haar ogen nog vol met schrik,
alsof er boeven lopen langs het raam.

Ze merkt het als we praten over haar:
dan komt ze naar je toe en je ziet
hoe ze dan denkt: wat men vertelt is waar.
Wat ik heb meegemaakt, je gelooft het niet.

Soms komen we naar huis, laat in de nacht,
en begint ze zelf een soort gesprek
en mekkert iets van: ‘Ik heb lang gewacht.
Ik werd van eenzaamheid een beetje gek.’

We zagen een dood katje in de goot
en dat vertelde ik haar wel zeven maal.
Ze houdt veel van gedichten over de dood,
liefst in het Engels, in die zachte taal.

Ze weet van vroeger, toen ze nog baby was
en melk mocht drinken uit haar moeders huid:
ze zit op schoot of desnoods op een tas
te melken met een dromerig geluid.

Maar heeft ze zelf ooit kinderen gehad?
En is ze veertien of al zestien jaar?
Er gaat veel om in onze oude kat.
Zij weet veel meer van ons dan wij van haar.

Geef een reactie