Lilalente – Ilja Leonard Pfeijffer

het is lente in de laat de kanterstraat
lente in de lange laan van poot
monkelt glim mevrouw jolien lahaye
poetst alle knoppen koper
pinkelt glom van weertje weer
pink (petronella) parlevliet de ree
gaat in de tuin een tuiltje tulpenblommen
buiten aquarellen
er piept het een of ander enig merelbeestje
in pim en wietske wielaards pergola
mevrouw milaine millecam vermuist een knäckerbrödje
mozzarella met de blauwe blazer buiten
en een extra mokje karnemelk vandaag want het is lente
lila lente in de lusthoflaan en alle buren fluiten

Vrouwenportret – Wislawa Szymborska

Ze moet naar keuze kunnen zijn.
Veranderen, als er echt niets mag veranderen.
Dat is makkelijk, onmogelijk, moeilijk, te proberen.
Ze heeft ogen die zo nodig diepblauw zijn, of grijs,
zwart, vrolijk, zonder reden ineens vol tranen.
Slaapt met hem, de zoveelste, de enige voor hem.
Baart hem vier kinderen, geen kinderen, één.
Naïef, maar heeft de beste raad.
Zwak, maar zal alles dragen.
Weet niet van wanten, maar ondertussen.
Leest Jaspers en de vrouwenbladen.
Snapt niet waarvoor dat schroefje dient en bouwt een brug.
Jong, als gewoonlijk jong, nog altijd jong.
Houdt een musje met een gebroken vleugel in de hand,
haar eigen geld voor een verre, lange reis,
het vleesmes, een kompres, een glaasje klare.
Waar moet ze nu weer heen, is ze niet moe?
Welnee, een beetje maar, ja, erg, het geeft niet.
Of ze houdt van hem, of ze verzet zich.
In goed, in kwaad, in hemelsnaam.

‘De Twee Geniussen’ – Rhijnvis Feith

Twee Geniussen, eens tot zekre taak gekoren,
Ontmoeten zich, waar Zin-en Geestenrijk zich scheidt.
Zij staarden lang zich aan, in diep gepeins verloren,
Dees, met een hoge ernst, die, met afkerigheid.
En bange stilte scheen op eens Natuur te omzweven.
In ’t eind vraagt de eerste, wijl een traan zijn oog ontvlood:
‘Wie zijt gij?’ ’t Antwoord is: ‘Het Leven.’
‘En gij?’ vraagt de andre. – ‘Ik ben de Dood’.
Het Leven siddert en hervat: ‘Onzalig Wezen!’
Gij zijt mijn vijand en de vijand van al de aard’.
Niets heeft ons doel gemeens. Uw blik doet ieder vrezen,
Daar mijn verschijning elk de zoetste blijdschap baart’. –
‘Ach! (zegt de Dood en zucht) hoe dwaas beslissen mensen!
Wat rove ik? bange zorg en eindeloze nood.
Hoe spoedig zou de mens het aanzijn hier verwensen,
Zo ik ter juister uur geen beter hem ontsloot?
Dat elk mij vrij misken’, dat allen voor mij beven,
In ’t offer van mij zelv’ vind ik getroost mijne eer.
Ik schenk, ondanks hem zelv’, de mens het ware leven,
En aan het eind mijns werks ben ik alleen niet meer!’
Het Leven staart hem aan met medelijdende ogen;
Het breidt zijne armen uit, omhelst hem teer, en schreit:
‘Grootmoedig Redder!’…. Maar, reeds is de Dood vervlogen.
Hij gaf het Leven met zijn kus aan de eeuwigheid.

 

Spring naar toolbar