Laatste wil van Alexander – J.H. Leopold

Dan als ik tuimel in de kist
doodsoverwonnen en bezweken,
laat mijn twee handen zijn ontbloot
en uit de baar naar buiten steken.

Dat, als ik het paleis verlaat
en langs den grooten weg mij richt,
een elk mijn schamelte ontwaar’
en worde door mijn lot gesticht.

Hoe zulk een, die veroverd had
van aarde-oppervlak tot aan
de helle hoogte van gebergt’,
de diepten van den Oceaan,

Die des turkooizen hemels vriend
en onbeperkte gunsteling
de verste grens van het heelal
in zijn grootmeesterschap omving,

En zeggen kon: mijn stalen arm
noopt de bevolkte wereld gansch,
dat hij zijn opgebrachte cijns
uitstorten moet in mijn balans.

Ziet aan! hij maakte zooveel zorg
en moeite en zooveel schats te schande
en is verloochend door zijn geld
en heengegaan met leege handen!

Zegt overluid dit al, opdat
de drom der saamgeschoolde velen,
elk naar zijn rang in dezen dag
van onmacht en berooidheid deele.

Dat zij den kittel van het goud,
het veile, in hun ziel verslaan
en zuchten om hun eigen lot
en niet om mijn verlorengaan.

Appelboompjes – Vasalis

Op een recht, zwart kousenbeen,
dunne rokjes opgeheven,
dansend in de vroege regen
en de tuin voor zich alleen,

staan twee jonge appelbomen,
’t witte bloed omhooggestegen,
vlinderhoofden wijd omgeven
door hun allereerste dromen.

Met hun smalle voet in ’t gras,
ingetogener en lomer
staan zij later in de zomer
na te peinzen hoe het was.

Voller wordend met de dagen,
vastgegroeid in ’t ogenblik,
bestemd, mijn zustertjes, -als ik –
te worden, rijpen en vrucht te dragen.

Ik draai een kleine revolutie af… – Lucebert

ik draai een kleine revolutie af
ik draai een kleine mooie revolutie af
ik ben niet langer van land
ik ben weer water
ik draag schuimende koppen op mijn hoofd
ik draag schietende schimmen in mijn hoofd
op mijn rug rust een zeemeermin
op mijn rug rust de wind
de wind en de zeemeermin zingen
de schuimende koppen ruisen
de schietende schimmen vallen

ik draai een kleine mooie ritselende revolutie af
en ik val en ik ruis en ik zing

Piëta van Michelangelo – Hester Knibbe

Ging dood aan een geloof en werd een nieuw
gelijk. Zij heeft dat nooit gewild; daarvoor

baar je geen kind. Nog dekt ze hem niet toe,
maar houdt hem op haar schoot: groot

lijf ik heb je lief. Misschien was hij ook
moe van al dat eigenwijs en vrouwen

die hem claimden en mannen waarvan geen hem
als zoon erkennen wilde, ging dood gewoon,

noch lam noch hoeder, om stil
te liggen in het marmer van een moeder.