Kloppen SVP – C. Buddingh

van september ’35 tot juni ’38
studeerde ik middelbaar engels a.
de lessen werden gegeven
in het gymnasium
aan de laan van meerdervoort te den haag.
het was een zich deftig voordoend gebouw:
de stortbak van de wc
had dan ook twee deftige trekkers,
er hing een stukje ivoorkarton naast
waarop in deftige drukletters stond:
“voor grote spoeling gebruike men de lange trekker
voor kleine spoeling gebruike men de korte trekker”
een vermoedelijk iets minder deftig
iemand had eronder geschreven:
“in geval van twijfel wende men zich tot de rector”

moraal: ga niet bij het onderwijs,
en als u toch bij het onderwijs gaat
word dan liever geen rector

Hé hond – Benno Barnard

Op een dag in de Gouden Eeuw tekent Gerbrand
van den Eeckhout (geb. 1621) met penseel
en bruine inkt zijn jonge hond uit de losse pols,

waaraan een vaste hand. De man glimlacht even
om de bastaard, half labrador, half asvat. De kop zinkt
op de voorpoten: nog voor de stroeve kurk

uit het glazen potje komt, ligt hij al in zijn roerloze
pose van ingehouden goudbruine hondachtigheid.
Hé hond, hoe heet je? Je bent weliswaar

al een paar honderd hondengeneraties dood,
maar we kunnen toch praten? Spits nu alsjeblieft je oren.
Weet je wat ik benijd? Dat volkomen oprollen

op deze plek en dit moment, die eigen eenheid
van tijd, plaats en handeling. En dat eeuwige optimisme
(‘We gaan wandelen, hè?’). Wijlen mijn vader zei vaak

dat hij jaloers was op je staart – naar het schijnt
hebben we de onze ingeruild voor ons geheugen,
een wankele methode om in evenwicht te blijven.

Kom, we maken een ommetje langs de gracht. Gerbrand
knijpt net de meid in haar kont. Jij bent klaar.
Ik zie dat je me hoort: je rechterwenkbrauw trilde even.