De egel – C. Buddingh

Zeer honkvast, (als ik) een eenzelvig levend

schemeringdier, alleen

bij het zoeken naar voedsel (voornamelijk dierlijk) gedraagt

hij zich vrij luidruchtig; hij zwemt

indien nodig uitstekend, is ongevoelig

voor addergif, houdt van november tot maart

 

een winterslaap, werpt tussen mei en augustus
3 tot 7 jongen; in bergland
komt hij voor tot op 2000 meter. ‘De vos heeft vele
streken, de egel slechts één,
maar dat is dan ook de beste van alle,’
schreef Erasmus, natuurlijk lang voor de komst

“De egel – C. Buddingh” verder lezen

Op het ontvangen van nieuwe haring – Gerrit van de Linden

O, Haring, met uw pekelsmaakje,
O hartverkneutrend zeeziek snaakje,
Hoe dorstig, hoe gelukkig maak je
De maag, die van uw lekkers houdt.
Gij zijt een fraai en snoeperig visje,
In ’t keurlijk pieterselie-disje,
Een malse beet voor jong en oud.
Geef anderen, spekstruif, of pasteitjes,
Of Franse lever-lekkernijtjes,
Geef anderen haas- of hertebout,
Of wel doortruffeld zwijnepootje,
Mij is uw lieflijk middelmootje
Het fijnst banket, en zoet uw zout.

 

Laatste wil van Alexander – J.H. Leopold

Dan als ik tuimel in de kist
doodsoverwonnen en bezweken,
laat mijn twee handen zijn ontbloot
en uit de baar naar buiten steken.

Dat, als ik het paleis verlaat
en langs den grooten weg mij richt,
een elk mijn schamelte ontwaar’
en worde door mijn lot gesticht.

Hoe zulk een, die veroverd had
van aarde-oppervlak tot aan
de helle hoogte van gebergt’,
de diepten van den Oceaan,

Die des turkooizen hemels vriend
en onbeperkte gunsteling
de verste grens van het heelal
in zijn grootmeesterschap omving,

En zeggen kon: mijn stalen arm
noopt de bevolkte wereld gansch,
dat hij zijn opgebrachte cijns
uitstorten moet in mijn balans.

Ziet aan! hij maakte zooveel zorg
en moeite en zooveel schats te schande
en is verloochend door zijn geld
en heengegaan met leege handen!

Zegt overluid dit al, opdat
de drom der saamgeschoolde velen,
elk naar zijn rang in dezen dag
van onmacht en berooidheid deele.

Dat zij den kittel van het goud,
het veile, in hun ziel verslaan
en zuchten om hun eigen lot
en niet om mijn verlorengaan.

Appelboompjes – Vasalis

Op een recht, zwart kousenbeen,
dunne rokjes opgeheven,
dansend in de vroege regen
en de tuin voor zich alleen,

staan twee jonge appelbomen,
’t witte bloed omhooggestegen,
vlinderhoofden wijd omgeven
door hun allereerste dromen.

Met hun smalle voet in ’t gras,
ingetogener en lomer
staan zij later in de zomer
na te peinzen hoe het was.

Voller wordend met de dagen,
vastgegroeid in ’t ogenblik,
bestemd, mijn zustertjes, -als ik –
te worden, rijpen en vrucht te dragen.

Ik draai een kleine revolutie af… – Lucebert

ik draai een kleine revolutie af
ik draai een kleine mooie revolutie af
ik ben niet langer van land
ik ben weer water
ik draag schuimende koppen op mijn hoofd
ik draag schietende schimmen in mijn hoofd
op mijn rug rust een zeemeermin
op mijn rug rust de wind
de wind en de zeemeermin zingen
de schuimende koppen ruisen
de schietende schimmen vallen

ik draai een kleine mooie ritselende revolutie af
en ik val en ik ruis en ik zing