Ongevraagd advies – Perquin, Ester Naomi

Geef het land aan wie het weet te liggen: prachtig
onder zeeniveau, midden in het paradijs.

Geef het de manken, de blinden, de stamelaars
en slissers. De zwijgers.

Geef het de oude man die ’s ochtends vroeg gaat vissen,
alleen om zijn vrouw te ontlopen – wij zijn ook
die man, die vrouw, wij zijn ook die vissen.

Geef het de vrouw die kinderen leert: neem zebra’s te voet,
sla terug als je geslagen wordt, zorg altijd voor je hond.

Geef het wie er weg wil maar het niet kan missen.
Wie blijft. Wie grenzen kent, de scheve gevels
en de aarde. Wie niets van aangepaste prijzen weet
maar wel van actuele waarde. Schrik niet.

Breek het schreeuwen open, kijk: ook daar zitten wij,
schouder aan schouder om het vuur, grommend
en hoopvol. Te wachten. Te staren.

Geef het land aan wie het ternauwernood maar stralend
vast zal houden, geef het wie het amper past.

Kijk verder dan de meest geplakte posters, negeer
de zachtste woorden, de wanen en de lach –
geef je land, je stad, je tijd uit handen.

Maar geef één stem weg.
Nooit de macht.

 

Michael van W. – Ester Naomi Perquin

Wat ze ook willen, die dolle honden in mijn kop hebben altijd honger,
altijd dorst. Niet over praten. Het daglicht weet ze te verjagen,
voor even – maar zodra ik ga liggen begint het gedonder,
ze krabben me steeds uit mijn slaap, piepend om teven
of vlees, willen naar buiten gelaten.

Hoe noemt u dat? Bestaat er een woord voor de man die ik word
als ik me, buiten bereik, aan een straatkat vergrijp, kunt u
dat vatten met gekte of moord, lijnt mij dat aan? Ze luisteren niet.
Ze draaien, ze dreigen – ik ken ze bij naam, hun vlekken

en happende kaken – maar hier wil ik niet over praten, niet nu
het licht is. Niet bang zijn. Hier voel ik me veilig. Weet u
dat er een boek bestaat met dezelfde naam?

Voorop staat een man en zijn mond, zijn bek – je ziet
dat hij gromt, zijn tanden ontbloot en achter hem
de volle maan, precies zo schijnheilig.

Zoals hij, behaard als een hond – zo zou ik het doen als ik kon.
Op hem zou ik lijken. Dit dolle dat mij drijft dan
buitenkant, dit hongerige aan te wijzen.